Universiteit Leiden

nl en

Papyrologisch Instituut

Wat is papyrologie

De Griekse papyrologie is de wetenschap die zich bezighoudt met het ontcijferen en bestuderen van alle teksten die in de Griekse taal op papyrus geschreven staan. Papyrus was het schrijfmateriaal van de oudheid en werd vervaardigd uit op elkaar gekleefde reepjes van de papyrusplant. Er zijn honderdduizenden papyri gevonden, waarvan een groot deel nog niet uitgegeven is. Ook Griekse teksten op andere materialen, zoals potscherven (ostraca), wastabletten, houten plankjes, loden plaatjes, linnen en soms kleine stukjes leer of perkament (niet op steen of kunstvoorwerpen, die behoren tot het vakgebied van de epigraaf en archeoloog), worden tot het vakgebied van de papyroloog gerekend, omdat zij inhoudelijk aan de teksten op de papyri verwant zijn.

Papyrusvervaardiging [© Leids Papyrologisch Instituut]

Vindplaats van papyri: Egypte

De vindplaats van papyri is, een enkele uitzondering daargelaten, beperkt tot de Egyptische woestijn, de enige plaats waar het klimaat droog genoeg was om het vergankelijke schrijfmateriaal te conserveren. Nadat in 1778 de eerste papyrus uit Egypte toevalligerwijs aan het licht kwam, volgden meer vondsten, en rond 1890 is men begonnen met systematische opgravingen. De meeste papyri werden aangetroffen op antieke vuilnisbelten, in door het oprukken van de woestijn verlaten dorpen en steden en op de begraafplaatsen, waar kisten en mummieomhulsels dikwijls bestonden uit "karton", gemaakt van lagen oude (dus meestal beschreven) papyrus, terwijl de mummies van heilige dieren ook van binnen met oude papyrus waren opgevuld. De plaats waar men de meest waardevolle papyri zou hebben kunnen vinden, de hoofdstad van Egypte, het hellenistische cultuurcentrum Alexandrië, heeft ons helaas door het vochtige klimaat in de Nijldelta zeer weinig opgeleverd.

Grieks in Egypte: 331 v. Chr. - 641 na Chr.

De veelsoortige teksten op de papyri vormen een unieke en direkt uit de oudheid stammende bron voor onze kennis van vooral de Griekse cultuur. In 331 v. Chr. werd in Egypte de Griekse heerschappij gevestigd door Alexander de Grote, die werd opgevolgd door de dynastie der Ptolemaeën-koningen, ook wel Lagiden genoemd.

Literaire papyri

In de Griekse papyrologie kunnen twee gebieden duidelijk onderscheiden worden. De literaire papyri (meestal mooi geschreven met verzorgde letters) geven niet alleen een beeld van wat er in die tijd door de Grieken in Egypte werd gelezen (vooral Homerus blijkt zeer populair geweest te zijn), maar ook bieden deze papyri ons teksten die soms wel duizend jaar dichter bij de tijd van de auteur staan dan de vroegste middeleeuwse handschriften. Uit vergelijking bleek dat de middeleeuwse manuscripten over het algemeen veel minder corrupt zijn dan vroeger werd aangenomen. Bovenal hebben de papyri ons enige literaire werken teruggegeven die niet via de middeleeuwen tot ons gekomen waren. Hierbij denken we aan de toneelstukken van Menander, de Athenaion Politeia van Aristoteles, gedichten van Sappho en Bacchylides, een vervolg op het historische werk van Thucydides, bekend onder de naam Hellenica Oxyrhynchia, en allerlei religieuze literatuur. De literaire papyrologie sluit nauw aan bij het vakgebied van de klassiek filoloog.

Documentaire papyri

Met name de documentaire papyri (in cursieve handen, variërend van het gestileerde kanselarijhandschrift tot zeer individuele handschriften) vormen een unieke bron voor de antieke wereld. Ze bestrijken alle aspecten van het dagelijks leven en verschaffen details die niet in andere bronnen vermeld worden, over onder meer antiek recht, religie (heidens, joods, christelijk), bestuur en administratie, onderwijs en wetenschap - op de papyri staat iedere soort tekst die het maar waard was om schriftelijk te worden vastgelegd. En dat niet gezien door de gekleurde bril van een literator of historicus, maar rechtstreeks afkomstig uit het leven van alledag.

Koinè-Grieks

De taal waarin de documentaire papyri geschreven zijn is niet het klassieke Grieks, maar de zogenaamde Koinè, waarin ook bijvoorbeeld het Nieuwe Testament geschreven is. De meest opvallende afwijkingen ten opzichte van het klassieke Grieks zijn: veel nieuwe woorden, vereenvoudiging van moeilijke verbuigingen en vervoegingen, vereenvoudiging ook van de zinsbouw, en veranderingen in de uitspraak die tot opmerkelijke fouten in het geschrevene gingen leiden: de uiteindelijke gelijkstelling van de klanken van e en ai en van ei - h - i - oi en u (iotacisme). We kunnen het begin van de ontwikkeling van het klassieke Grieks tot Nieuw-Grieks in de papyri op de voet volgen.

Papyrologische tekens en afkortingen

Voor het uitgeven van een papyrustekst worden de volgende tekens gebruikt (het zogeheten "Leidse" systeem): 

    .      
(punt) een punt onder een Griekse letter duidt aan dat de letter onzeker gelezen is; alleenstaande punten wijzen op het vermoedelijke aantal letters dat is beschadigd of verloren gegaan 
[   ] verloren gegane letters
letters, ten onrechte door de schrijver weggelaten en door de uitgever aangevuld
( afkortingen en symbolen, door de uitgever voluit geschreven
door de schrijver geschreven letters die volgens de uitgever uit de tekst moeten worden verwijderd
[[   ]]   letters die door de schrijver zelf zijn doorgehaald
\   / letters die door de schrijver boven de regel zijn toegevoegd.
       

Voor het aanduiden van officiële papyruspublicaties worden afkortingen gebruikt als P. Enteuxeis (een heel volume vol met verzoekschriften van een bepaalde soort), P. Lond. (papyri die zich in Londen bevinden), P. L.Bat. (papyri die door het Leids Papyrologisch Instituut zijn uitgegeven), P. Tebt. (papyri die in het Egyptische dorpje Tebtunis zijn gevonden), P. Turner (papyri die ter ere van de bekende papyrologoog Turner zijn gepubliceerd) enzovoorts. Een verklarende lijst van deze afkortingen bevindt zich in ieder papyrologisch handboek en op de website ‘Checklist of Editions of Greek, Latin, Demotic, and Coptic Papyri, Ostraca and Tablets’.

Beknopte bibliografie

Handboeken

R.S. Bagnall (ed.), The Oxford Handbook of Papyrology (2009) 
P.W. Pestman, The New Papyrological Primer. Second Edition Revised (1994)    
H.-A. Rupprecht, Kleine Einführung in die Papyruskunde (1994)    
O. Montevecchi, La papirologia (1988) 
E.G. Turner, Greek Papyri. An Introduction (1968) 

Algemeen

R.S. Bagnall, Egypt in Late Antiquity (1993)  
R.S. Bagnall, Reading Papyri, Writing Ancient History (1995)  
R.S. Bagnall (ed.), Egypt in the Byzantine World (2007)  
A.K. Bowman, Egypt after the Pharaohs (1986)  
A.K. Bowman e.a., Oxyrhynchus. A City and its Texts (2007)  
R. Cribiore, Gymnastics of the Mind. Greek Education in Hellenistic and Roman Egypt (2001)  
D. Frankfurter, Religion in Roman Egypt. Assimilation and Resistance (1998)  
N. Lewis, Life in Egypt under Roman Rule (1983)   
N. Lewis, Greeks in Ptolemaic Egypt (1986)  
H.J. Wolff, Das Recht der griechischen Papyri Ägyptens in der Zeit der Ptolemäer und des Prinzipats 1-2 (2002, 1978) 

Nederlandstalig

Hermeneus 52,4 (1980) (speciaal papyrologisch nummer verzorgd door Leids Pap. Inst.) 
P.W. Pestman e.a., Vreemdelingen in het land van Pharao (1985)  
P.W. Pestman e.a., Familiearchieven uit het land van Pharao (1989)  
K.A. Worp, Griekse papyri: een wereld vol bewegingen, in Lampas 18,4 (1985) 267-278  
W. Clarysse - K. Vandorpe, Zenon, een Grieks manager in de schaduw van de piramiden (1990)  
W. Clarysse - K. Vandorpe, Boeken en Bibliotheken in de Oudheid (2004)  
F.A.J. Hoogendijk - B.P. Muhs, Handschrift op papyrus (2005) 

Bloemlezingen van Griekse papyri

P.W. Pestman, The New Papyrological Primer. Second Edition Revised (1994)    
J. Hengstl, Griechische Papyri aus Ägypten (1978) (met Duitse vertalingen)    
A.S. Hunt - C.C. Edgar, Select Papyri I-III (Loeb Classical Library, 1932-1950) (met Engelse vertalingen)

Vertaalde teksten

R.S.  Bagnall - P. Derow, The Hellenistic period. Historical Sources in Translation (2004) 
J.E. Grubbs, Women and the Law in the Roman Empire. A sourcebook on marriage, divorce and widowhood (2002)  online; http://quod.lib.umich.edu/cgi/t/text/text-idx?c=acls;idno=heb90014.0001.001 
A.S. Hunt - CC. Edgar, Select Papyri with an English translation, Vol. I Private affairs; Vol. II Official documents (1932-1934) 
J.G. Keenan - J.G. Manning - U. Yiftach-Firanko, Law and Legal Practice in Egypt from Alexander to the Arab Conquest (2014) 
J.H. Oliver, Greek Constitutions of Early Roman Emperors from Inscriptions and Papyri (1989) 
J. Rowlandson, Women and society in Greek and Roman Egypt (1998) 
P. Schubert, Vivre en Égypte (2000)

Bibliographie Papyrologique: http://papyri.info/bibliosearch 

Overzicht van de geschiedenis van de papyrologie

[F.A.J. Hoogendijk, uit: P.W. Pestman e.a., Vreemdelingen in het land van Pharao, Zutphen 1985, pp. 105-109] 

"Hoewel men bij 'Papyrologie' onmiddellijk aan Egypte denkt en papyrusrollen, voorzover wij weten, in de oudheid ook alleen maar in Egypte werden vervaardigd, werden onbeschreven rollen naar alle landen rond de Middellandse Zee geëxporteerd en overal algemeen gebruikt. Zo komt het dat Cicero in zijn bibliotheek vele manuscripten op papyrus had. Helaas is papyrus een vergankelijk materiaal dat in een vochtige omgeving vergaat, zodat er buiten het droge Egypte slechts in bijzondere omstandigheden papyri geconserveerd zijn gebleven, zoals onder de lava in Herculaneum, diep in de grotten bij Qumran, of in het woestijnachtige gebied bij Doura-Europos aan de Eufraat. 

Er moet in het Romeinse rijk veel papyrus in omloop zijn geweest, want nadat in het begin van de Arabische tijd de productie van papyrus in Egypte was gestaakt, werd nog eeuwenlang in Europa gebruik gemaakt van oude papyrusrollen, uit archieven bijvoorbeeld, waarvan het vroegere schrift werd weggewassen. Dergelijke papyri (en nieuwe, die in Sicilië werden nagemaakt) werden vooral voor officiële documenten gebruikt, het langst door de pauselijke kanselarij die pas in de 11de eeuw overging van papyrus op perkament. In de zestiende en zeventiende eeuw begon men in Europa aandacht te krijgen voor de inhoud van enkele Griekse en Latijnse papyri die zich nog in archieven van steden, kerken of kloosters bevonden. Deze papyri, die uit de vroege middeleeuwen stamden, werden ook vaak aangetroffen in oude boekbanden, op elkaar geplakt om het modernere - perkamenten - boek te verstevigen. Ze werden voornamelijk als rariteiten gezien en verzameld. Veel van de papyri, die in geschriften uit deze begintijd zijn verzameld of beschreven, hebben onze tijd niet meer gehaald. Deze middeleeuwse papyri worden nu niet meer tot het vakgebied van de papyroloog gerekend, maar tot dat van de mediaevist. 

Ook niet echt tot het vakgebied van de papyroloog (die zich toch vooral met Egypte bezig houdt) telt men de verkoolde papyrusrollen die in 1752 en daarna bij Herculaneum werden gevonden. Na aanvankelijk veel belangstelling te hebben getrokken (men hoopte natuurlijk dat nieuwe werken van klassieke auteurs gevonden zouden worden), stelden deze rollen wat hun inhoud betreft zeer teleur: de vondsten waren uit een gespecialiseerde filosofische bibliotheek afkomstig, en alleen voor dat speciale gebied interessant. 

Inmiddels hadden eindelijk ook papyri die in Egypte waren gevonden Europa bereikt. Al aan het einde van de zestiende eeuw heeft ene Basilius Amerbach te Basel een paar papyri uit Egypte, beschreven met Grieks en Latijn, van een vriend, J.J. Grynaeus, ten geschenke gekregen. Hij beschouwde ze als curiosa en was niet in staat om ze te lezen. Op het glas waaronder hij deze papyri bewaarde, omschreef hij ze als 'Turks' (minder vreemd als men beseft dat Egypte in die tijd tot het Osmaanse rijk behoorde, en ook de inheemse Egyptenaren 'Turken' werden genoemd). Na Amerbachs dood kwamen de papyri in het bezit van de stad Basel, waarna ze in een stil hoekje van het museum aldaar vergeten raakten. Pas in 1917 zijn deze papyri gepubliceerd. (De uitgave staat in de papyrologie bekend als 'P. Basel 1'). 
Uit de zeventiende eeuw stammen enkele berichten over door reizigers toevallig uit Egypte meegebrachte papyri, die trouwens helemaal niet interessant werden gevonden, en de eerste vondst met wetenschappelijke gevolgen werd pas gedaan in 1778. Hierover bestaat de volgende veel geciteerde anecdote. In Egypte kreeg een rondreizend koopman van inheemse bewoners veertig of vijftig papyrusrollen te koop aangeboden, maar de koopman was er totaal niet in geïnteresseerd: hij kocht er, voor heel weinig geld, slechts één. De overige papyri hebben die Egyptenaren toen in het bijzijn van de koopman verbrand, iets wat ze vaker deden, omdat de geur van verbrande papyrus zo aangenaam zou zijn! (Dit is trouwens later door de beroemde Engelse papyrologen Grenfell en Hunt bestreden, volgens hen ruikt het gewoon naar verbrand papier). 

Hoe dan ook, die ene papyrusrol bereikte Europa en kwam in het bezit van kardinaal Stefano Borgia, die de Deen Nicolaus Schow opdracht gaf de tekst van de papyrus te ontcijferen en er een publicatie van te vervaardigen. Deze kwam al uit in 1788 en hiermee hebben we dan de eerste papyruseditie. (N. Schow, Charta papyracea graece scripta Musei Borgiani Velitris, Roma 1788). Helaas stelde de inhoud van de papyrus, Charta Borgiana genoemd en nu bewaard in het Museo Nazionale te Napels, zo mogelijk nog meer teleur dan die van de enkele tientallen jaren daarvoor bekend geworden papyri uit Herculaneum: hij bevatte, in het Grieks, 12 1/2 kolom van een lijst van dorpsbewoners die verplichtingen hadden om aan de dammen en kanalen te werken. Het heeft tot het begin van deze eeuw geduurd voor men de inhoud op zijn sociaal-historische waarde heeft kunnen schatten. Had deze rol een literaire tekst bevat, dan was hoogstwaarschijnlijk de belangstelling voor papyri uit Egypte eerder gewekt en waren er veel meer papyri voor ons bewaard gebleven.

Toch hebben daarna steeds meer papyri hun weg naar de Europese geleerden gevonden, vooral nadat door de veroveringstocht op bevel van Napoleon, in 1798, Egypte voor reizigers meer toegankelijk was geworden. De Franse expeditie leverde zelf ook een aantal papyri op, waaronder teksten in hiërogliefenschrift, hiëratisch en demotisch, die men toen (vóór Champollion) nog niet kon lezen. Toch bleef het nog altijd bij toevallige aankopen van door inheemse Egyptenaren gevonden papyri, waarbij deze vinders, toen zij begrepen dat de toeristen er geld voor over hadden, er niet voor terugdeinsden om papyri in één of meerdere stukken te snijden, om er meer mee te kunnen verdienen. Vandaar dat er vele papyri zijn, waarvan de delen ook nu nog over twee of zelfs meer collecties zijn verspreid.
Langzamerhand ontstonden er belangrijke verzamelingen in vrijwel alle grote steden van Europa en ook Amerika - zo bemachtigde bijvoorbeeld het Leids Museum van Oudheden in 1828 een waardevolle collectie via de Zweedse consul in Egypte, d 'Anastasi. Er werden belangwekkende vondsten gedaan in de negentiende eeuw, van complete archieven tot (eindelijk!) ook literaire papyri, afkomstig uit Memphis, Thebe, Hermopolis, Elefantine en vele andere plaatsen, maar meer dan hier en daar een verspreide publikatie leverde dat niet op. 

De werkelijke aanzet tot wetenschappelijke bestudering van de Egyptische papyri werd gegeven door de spectaculaire vondst (nog steeds door Egyptenaren) in 1877/1878 in de Fayoum, een provincie ten westen van de Nijl in Midden-Egypte, van vele duizenden papyri, beschreven in alle talen die er in de loop der eeuwen in Egypte gesproken waren. De papyri werden aangetroffen in opgegraven huizen of in potten als bijgiften in graven; vooral ook veel in de oude vuilnishopen die hele heuvels hadden gevormd en in cartonnages: de mummiemaskers, borststukken, voeten, die waren vervaardigd uit een soort papier-maché, net als bij ons gemaakt van bevochtigd 'oud papier'. Het grootste deel van deze vondst is in de Weense 'Nationalbibliothek' terecht gekomen. 

De schat van gegevens die deze papyri de wereld vertelden over een periode van tien eeuwen onafgebroken bewoning van dorpjes en gehuchten in deze streek, zorgde er eindelijk voor dat de wetenschappers zich met papyri gingen bezighouden. Daarmee werden vele papyri nog maar net van hun ondergang gered, want juist in dezelfde periode begonnen de boeren in Egypte, met toestemming van de regering, de antieke vuilnishopen af te graven, omdat de grond ervan zulke goede meststoffen bevatte. Natuurlijk drong het wel snel door dat papyri geld waard waren, maar een wetenschap kan niet bestaan van toevallige vondsten, waarvan de juiste herkomst niet bekend is of zelfs met opzet niet wordt meegedeeld door de inheemse handelaars. 

In 1897 vond de eerste wetenschappelijke opgraving plaats, onder leiding van de Engelse archeoloog Flinders Petrie, en daarna volgden er meer. Baanbrekend werk is vericht door de eveneens Engelse archeologen/papyrologen Grenfell en Hunt, die in hun werk werden gesteund door het kort tevoren opgerichte Egypt Exploration Fund (dat nu nog steeds bestaat onder de naam van Egypt Exploration Society). Behalve in de Fayoum groeven zij ook in andere plaatsen; een heel belangrijke vindplaats voor papyri bleek Oxyrhynchus te zijn. De publikatie van de toen in dat stadje gevonden papyri, waaraan men nog steeds gestadig doorwerkt, beslaat inmiddels 52 [72 in 2009, FH] boekdelen. 

Vanaf het einde van de vorige eeuw zijn er voortdurend, ook door andere landen, opgravingen verricht, en er werden (en worden nog steeds) vele papyri gevonden. De teksten bieden, vooral wanneer men ze onderling met elkaar in verband brengt, allerlei gegevens over het culturele en maatschappelijke leven van Egypte in de oudheid. 

Een naam die zeker genoemd moet worden, is die van Ulrich Wilcken, die niet alleen opgravingen in Egypte organiseerde en de vele papyrusverzamelingen over de hele wereld afreisde om teksten te ontcijferen en zeer deskundig te publiceren, maar ook, in 1900, een speciaal tijdschrift oprichtte om de tot dan toe in willekeurige series verschenen papyrologische verhandelingen op één plaats te bundelen: het 'Archiv für Papyrusforschung'. Dit tijdschrift bestaat nog steeds, zij het dat het enigszins wordt overschaduwd door het nu misschien wel te grote aanbod van speciaal papyrologische tijdschriften. Het belangrijkste werk van Wilcken is wellicht het lijvige handboek dat hij over de (Griekse) papyrologie schreef, met een uitgelezen selectie teksten om zijn verhaal te illustreren. Een tweede deel bij dit handboek, eveneens met bloemlezing van teksten, waarin meer de nadruk werd gelegd op de juridische aspecten van de papyri, werd verzorgd door de jurist Mitteis. Deze 'Grundzüge und Chrestomathie' uit 1912 hebben nog steeds niet veel aan betekenis ingeboet. 

Fundamenteel werk is ook verricht door Friedrich Preisigke, die op de papyrusteksten gebaseerde woordenboeken samenstelde, en het 'Sammelbuch', waarin de niet in speciale papyrusedities, maar over allerlei boeken en tijdschriften verspreid gepubliceerde papyri werden (en nog steeds worden) verzameld, en niet te vergeten de 'Berichtigungsliste', een nog steeds regelmatig verschijnend (en sinds de tweede wereldoorlog grotendeels in Leiden gecompileerd) overzicht van alle verbeteringen en opmerkingen die in de vakliteratuur worden gemaakt naar aanleiding van reeds gepubliceerde teksten. 
Uit het voorgaande zal misschien al gebleken zijn, dat de eerste papyrologen zich voornamelijk met de Griekse teksten bezighielden. De hiëroglifische en hiëratische teksten werden meer bestudeerd door de zuivere egyptoloog, en waren ook van een ander, meer literair, karakter. De demotische teksten daarentegen handelen vaak over dezelfde onderwerpen als de Griekse (ze stammen dan ook grotendeels uit de tijd, dat Egypte Grieks was), maar die waren zo moeilijk te lezen, dat men ze eigenlijk nog maar sinds kort bij de studie kan betrekken. Van de andere talen die op de papyri voorkomen is, het Koptisch het best vertegenwoordigd. Omdat Grieks het makkelijkst te lezen was en de eerste papyrologen ook het meeste aansprak (het waren dikwijls classici en rechtshistorici), is de Griekse papyrologie nu het verst ontwikkeld. 

Op het ogenblik [dat was 1985, FH] zullen er dertig- tot veertigduizend Griekse papyrusteksten gepubliceerd zijn (wat nog niet de helft is van wat er in de verschillende collecties aanwezig is). De meeste papyrologische gegevens over de geschiedenis van Egypte stammen (nog) uit de Griekse teksten, die daardoor van nut kunnen zijn om met name de demotische teksten beter te begrijpen (zoals omgekeerd tegenwoordig ook demotische teksten van belang blijken te zijn voor het begrip van Griekse). Het spreekt vanzelf dat samenwerking tussen classici, egyptologen en oriëntalisten in zo'n geval onontbeerlijk is."