Logo Universiteit Leiden.

nl en

Essay: Hokjesdenken in het recht - Laurens van der Poel

In de Honours Class ‘Recht, literatuur en film’, opgezet en gecoördineerd door Claudia Bouteligier, keken studenten op interdisciplinaire wijze naar het recht en beginselen in het recht. De eindopdracht bestond uit het schrijven van een essay. Het beste essay, geschreven door Laurens van der Poel (derdejaars student Wijsbegeerte) is hieronder gepubliceerd.

Hokjesdenken in het recht

In de Honours Class ‘Recht, literatuur en film’, opgezet en gecoördineerd door Claudia Bouteligier, keken studenten op interdisciplinaire wijze naar het recht en beginselen in het recht (zoals rechtvaardigheid, de plaats van de persoon, de rechterlijke beslissing en het tragische in het recht). Hiertoe werd vertrokken vanuit een literair werk of een film. In acht weken zijn grote auteurs zoals Dostojevski, Kafka, Sartre en Camus gelezen. Maar de studenten bekeken ook de films ‘Gattaca’, ‘Eye in the Sky’ en ‘Twelve Angry Men’.

Voor de Honours Class kwamen Shakespeare-acteurs van Orkater speciaal naar de Oude Sterrewacht in Leiden voor een theatrale lezing van ‘Julius Ceasar’. Met gespecialiseerde gastsprekers als prof. Frans-Willem Korsten en dr. Yasco Horsman van Film- en Literatuurwetenschappen (UL), drs. Reina Brouwer (Campus Den Haag) en Michael Klos (Encyclopedie van de rechtswetenschap, UL), had deze Honours Class een bijzondere, interdisciplinaire aard.

De eindopdracht bestond uit een essayopdracht waarbij aan de hand van een literair werk of een film gereflecteerd moest worden op het recht of een beginsel daarvan. Het beste essay, geschreven door Laurens van der Poel (derdejaars student Wijsbegeerte, Universiteit Leiden) met als titel “Hoe hokjesdenken het subject reduceert tot object en het remediërende effect van literatuur en film”, is hieronder gepubliceerd. Laurens heeft de door Claudia Bouteligier besproken auteurs in relatie tot het thema van het doen van recht aan de ander als persoon, buitengewoon treffend weergegeven. Zijn essay getuigt van een helder begrip van de materie en is ook nog eens prachtig geschreven.

Hoe hokjesdenken het subject reduceert tot object en het remediërende effect van literatuur en film

Introductie

In dit essay zal ik beargumenteren dat het generaliseren van mensen hen reduceert tot object, wat het subject onrecht aandoet. Tegelijkertijd toon ik hoe literatuur en film een remediërend effect kan hebben. Allereerst beschrijf ik hoe generalisering enerzijds eigen is aan het menselijk denken, maar dat anderzijds wel een onderscheid gemaakt moet worden tussen het generaliseren van situaties en het generaliseren van personen. Hierbij ga ik ervanuit dat generalisering, abstrahering, inductie en het vormen van een narratief allemaal om dezelfde reden verwerpelijk zijn. Stuk voor stuk reduceren zij namelijk een particulier subject tot slechts een manifestatie van een reeds bekende categorie. Door vanuit één of een paar eigenschappen een subject te veralgemeniseren, worden alle andere eigenschappen van de betreffende categorie, die geen eigenschappen waren van het subject, op het nieuwe object geplakt, waardoor het individu niet meer tot zijn recht komt.

Vervolgens opper ik dat literatuur en film een manier kan zijn om ons hiervoor te behoeden. Dergelijke media kunnen deze onderwerpen namelijk kritisch aan de kaak stellen. Ik verwoord de kritiek van de werken La Nausée, L’Étranger en 12 angry men op het generaliseren van mensen, waarna ik Bubers ‘Ik-Jij’-ontmoeting als alternatief bied. Hiermee sla ik een dubbele slag: ik toon zowel de onrechtvaardigheid van generalisatie, als het remediërende effect van de bewustmaking van vooroordelen via literatuur en film.

Het generaliseren van situaties en mensen

De wereld is chaotisch. De mens wordt al duizenden jaren lang geplaagd door wisselvalligheden: aardbevingen, hongersnood, ziektes. In de moderne westerse samenleving zijn we daar beter tegen bestand. In onze post-metafysische wereld beteugelen we de grillen van het lot door generalisaties te ontdekken en haar te voorspellen. Door een situatie te vergelijken met soortgelijke gebeurtenissen uit het verleden, kan zij worden ingedeeld in de juiste categorie, zodat de corresponderende maatregelen kunnen worden genomen. Onze overheid heeft een spectrum aan rampenplannen, Nederlandse restaurants hebben standaarden van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit waarop ze worden gecontroleerd, en dankzij kwantitatieve analyse hebben de burgers een redelijke weersverwachting. Natuurlijk, we kunnen niet op alles berekend zijn: een Duitse boot ramt een stuw bij Grave, een muisje glipt onder het toeziend oog van de souschef door, of je bent al op weg naar het strand wanneer het begint te gutsen. Maar wees niet getreurd! Een paar misstappen zijn geoorloofd. De kracht van deze methode – het grofweg indelen van situaties in categorieën – bestaat namelijk uit de voorspellende kracht op groten getale. Het gigantische succes heiligt de incidentele vergissing.

Inductief redeneren, zoals generaliseren vanuit losse gevallen, is fundamenteel aan het menselijk denken. Plato beschreef in Cratylus al hoe verschillende smeden verschillende hamers maken, maar dat ze toch allemaal een hamer maken. Met het zelfde talent kunnen mensen het algemene concept van een perfecte cirkel abstraheren uit de particuliere imperfecte cirkels die ze tegenkomen. De tendens tot abstrahering reikt echter verder dan luttele cirkels en hamers – men generaliseert ook mensen. We generaliseren ‘types mensen’ onder andere uit de mensen die we tegenkomen, uit wat we horen en uit wat we lezen. Dit is een ontzettend praktische gave. We leren immers dat mensen die vaak geld lenen minder vaak terugbetalen, en dat vrouwen met kinderwagens te vertrouwen zijn om even op je tas te letten. Wij leren en creëren archetypes. De clichés zijn wereldberoemd: de oude wijze man, het onschuldige meisje, de koppige puber en de stoutmoedige adolescent. De stereotypes komen echter ook in kwadere vormen: de altijd dronken Rus, de lesbienne met geitenwollenssokken en de criminele allochtoon. Helaas generaliseren wij niet altijd even consciëntieus, wat schadelijk is voor de beeldvorming over de medemens.

Generaliseren is per definitie passen en meten. Zoals Procustes de te lange benen van zijn slachtoffers op maat hakte, of te korte benen juist uitrekte, worden bij particuliere subjecten de afwijkende – of juist missende – eigenschappen van complexe individuen zodanig afgerond dat het netjes in de desbetreffende categorie past. Het subject wordt object, en daarmee makkelijk behapbaar. Hier ligt het verschil tussen generaliseren over situaties en generaliseren over mensen. Het afronden van discrete waardes zoals temperatuur, luchtvochtigheid of luchtdruk richt geen schade aan de afgeronde parameters. Als het echter een mens betreft, dan wordt er wel degelijk schade aangericht. Des te erger is de schade wanneer het individu op zijn kwetsbaarst is, en tegelijkertijd het meest de deugdzaamheid van de rechtstaat behoeft. Het rechtssysteem staat onder permanente druk tot efficiëntie. Een makkelijk behapbare casuïstische methode is vaak het antwoord. Maar ook wanneer het individu veroordeeld wordt, dient de menselijkheid nog altijd behouden te worden. Hoe kan de persoon in het recht behouden worden?

De juiste rol van literatuur en film

Iedereen is vatbaar voor vooroordelen. Wie een rechte koers wil varen moet zijn kompasfouten kunnen corrigeren. Twee vaak opgeworpen remedies zijn literatuur en film. Martha Nussbaum beargumenteert bijvoorbeeld in Poetic Justice dat literatuur tot empathie leidt. Het lezen van literatuur plaatst je in andermans schoenen. Door in zijn schoenen te lopen, door vanuit zijn ogen te kijken en door zijn gedachtes te denken, ontwikkelt de lezer begrip voor het perspectief van de ander, en daarmee medeleven voor de ander. Maar misschien ligt in deze opvatting juist het probleem: het geloof dat de ander te begrijpen is aan de hand van een narratief. De welgeletterde sympathisant meent de ander te kennen op basis van voorgaande gevallen, waarmee hij zijn subject onbedoeld reduceert tot slechts een object in diezelfde reeks van gevallen. Het archetype van de criminele allochtoon verwordt tot het archetype van een Oliver Twist of een Slumdog Millionair.

Gelukkig kunnen cinematografie en letterkunde alsnog een ware rol spelen: door bezinning op situaties waarin men het individu het ergst tekortschiet, kan hierop voorbereid worden. De rol is bijna ironisch: door te induceren vanuit situaties waarin teveel abstrahering van mensen plaatsvindt, kan men onterechte inductie van individuen bestrijden.

Sartre – Walging van de Platoonse oppercategorie

In Jean-Paul Sartres roman La Nausée verzet Roquentin zich, onder andere, tegen de Platoonse ideeënleer: dat aan alles een verheven essentie ten grondslag ligt. Hij veracht bijvoorbeeld het schijnhumanisme dat pretendeert ‘de mens’ lief te hebben, maar in werkelijkheid het abstracte concept van ‘de Mens’ liefheeft. Hij heeft een aanvaring met de zogenoemde Autodidact, die alle boeken van de bibliotheek van Bouville op alfabetische volgorde leest. In een gesprek legt de Autodidact aan Roquentin een vraag voor: ‘is het leven waard geleefd te worden?’ De Autodidact bewondert de geleerde Roquentin, en legt daarom zijn eigen antwoord voor om met hem te sparren:

“’Er is een doel, Monsieur, er is een doel … er zijn mensen.’ (…) Hij nam zijn bril af, als om zich naakt te vertonen in zijn menselijk vlees, hij keek me aan met aandoenlijke ogen, een zware vermoeide blik, die me scheen te ontkleden, teneinde mijn menselijke kern te kunnen grijpen, vervolgens zei hij op melodieuse toon: ‘Er zijn mensen, mijn waarde, er zijn mensen,’ terwijl hij op ‘Er zijn’ een zekere nadruk legde, alsof zijn liefde voor de mensen, eeuwig jong en verwonderd, zich in haar reusachtige vleugels verwarde.” 1

Dit wekt woede op bij Roquentin. In het café waar ze eten zitten onder andere een jong koppel en een man van middelbare leeftijd. Roquentin daagt de mensenliefhebber uit door te vragen of hij ook houdt van die onbekenden in het café. De humanist houdt van hen, ook al kent hij ze niet. Hij houdt bijvoorbeeld van de jeugd van het verliefde koppel, en hij houdt van ‘de Rijpe mens’ in de oude man. Hij houdt van ‘de Man van middelbare leeftijd, die moedig voortschrijdt naar zijn ondergang en die zijn kleding verzorgt, omdat hij zich niet wil laten gaan.’ Roquentin moet hier niets van hebben. De Autodidact houdt niet van de vreemden in het restaurant; hij zou ze niet eens herkennen op straat. Hij vertedert slechts de symbolen die zij representeren. Hij heeft de abstracte categorieën lief: de Jeugd van de Mens, de Liefde van de man en de Vrouw, de Menselijke stem, de Middelbare leeftijd, de Ouderdom, de Dood. Deze abstracties bestaan niet, en door het vertederen van de symbolen worden de werkelijke mensen, die hij meent lief te hebben, gereduceerd tot loutere instanties van die symbolen. 2 Roquentin verwijt in gedachten de mensenliefhebber, die altijd met zijn neus in de boeken zit, een ‘humanist uit de provincie’ te zijn, wiens mensenliefde ‘barbaars en naief’ is. 3 Het is een afstandelijke liefde voor de Mens, zonder dat daar individuele mensen aan te pas komen.

Camus – De vreemdeling als slachtoffer van onbewuste narratiefvorming

In het tweede deel van Albert Camus’ L’Étranger wordt Meursault vervolgd vanwege het vermoorden van een Arabier. Maar, in tegenstelling tot de rechters die Meursault beoordelen, heeft de lezer de beleving van Meursault eerstehands meegemaakt in deel één. Het relaas van Meursault toont de losstaande gebeurtenissen die leidden tot de dood van de naamloze Arabier. In deel twee wordt Meursault tot verhaal gemaakt. Het ‘verhaal’ van Meursault werd tijdens de rechtszaak voornamelijk ingekleurd door de zeer eloquente officier van justitie en Mersaults aangestelde – en minder goedgebekte – advocaat. Het narratief waaraan men wordt blootgesteld vormt en kleurt de mening.

Ter illustratie: tijdens het proces wordt Meursault constant ondervraagd over zaken die schijnbaar niets te maken hebben met de objectieve gebeurtenis. Men was voornamelijk bezig met hoe Meursault omging met de recente dood van zijn moeder, waarom Meursault niet huilde tijdens haar begrafenis, hoe hij de dag daarna naar een komediefilm kon gaan met zijn nieuwe scharrel Marie, en zijn vriendschap met de moreel dubieuze Raymond. In plaats van dat de ondervragers de aard van zijn daad probeerden te achterhalen, probeerden de zij de aard van Meursault zelf te achterhalen. Zij probeerde erachter te komen ‘wat voor soort persoon’ Meursault was. Zijn advocaat vraagt tijdens het proces terecht: “(…) wordt hij beschuldigd zijn moeder te hebben begraven of een man te hebben gedood?4

Terwijl allen de ziel, de essentie, van Meursault wikken en wegen, vormen zij een narratief waarmee zijn excentrieke gedrag verklaard kan worden en beoordeeld kan worden, waarmee de persoon Meursault uit het proces wordt gefilterd. Meursault zegt in ergernis:

“Er was evenwel iets dat mij vaag hinderde. Ondanks mijn beslommeringen was ik nu en dan geneigd tussenbeide te komen. Maar mijn advocaat zei mij dan: ‘Zwijgt u maar liever, dat is beter voor uw zaak.’ In zekere zin leek het alsof deze zaak buiten mij om werd behandeld. Alles speelde zich zonder mijn tussenkomst af. Mijn lot werd geregeld zonder dat mij om raad werd gevraagd. Van tijd tot tijd had ik zin iedereen in de rede te vallen en te zeggen: ‘Maar wie is hier eigenlijk de beschuldigde? Het lijkt mij toch van belang de beschuldigde te zijn. Ik zou ook graag iets willen zeggen!’ Maar alles welbeschouwd had ik niet te zeggen.”5

Er wordt van hem geacht niet mee te doen. Zijn advocaat praat zelfs voor hem in de eerste persoon, tot de ergernis van de cliënt.6 Alsmaar raakt de veroordeelde steeds verder verwijderd van zijn beoordelaars, terwijl zij gezamenlijk bezig zijn met het vormen van een eigen narratief, waarvan de inhoud bepaald wordt door de eloquentie van de aangestelde advocaten, de hitte van de zomerse middagzon, een hieropvolgend proces over een patricide, en het been waarmee de rechter die ochtend uit bed stapte.

Lumet – Vooroordelen als onterechte generalisaties

De rechter – of in dit geval de jury – dient te fungeren als waarheidszoeker. Wanneer iemand veroordeeld wordt, dan onderzoekt de waarheidsvinder welke objectieve gebeurtenis heeft plaatsgevonden. De film 12 Angry Men van Sidney Lumet is het toonbeeld van hoe objectiviteit vaak slechts een schijnvertoning is. Iedereen bekijkt de wereld door een troebele bril, dus constateringen zijn altijd in bepaalde mate subjectief. Onbekende impliciete aannames leiden tot een vervormd beeld, en daarmee onbedoeld onterechte veroordelingen. Alleen door de aannames te expliceren kan de vervorming gecorrigeerd worden, en daarmee recht worden gesproken.

Elf van de twaalf juryleden zijn echter zeer zeker van hun objectiviteit. Hun oordeel ligt klaar: de jongen is schuldig, without a doubt. Zonder gesproken te hebben zijn zij het eens over zijn schuld – het is zelfs evident. Het is jammer, maar helaas, hij verdient de elektrische stoel. Jurylid #8 brengt een frisse wind van scepticisme. Moet een doodsvonnis niet tenminste besproken worden? Is het wel echt zeker, without a doubt, dat de jongen schuldig is? Zijn voorstel levert weerzin: het is een open-and-shut-case. Iedereen heeft toch alle feiten ontvangen, en daaruit rationeel kunnen deduceren dat de jongen schuldig is? Volgens jurylid #10 is de discussie onzinnig:

“I don’t mind telling you this, mister: we don’t owe him a thing. He got a fair trial, didn’t he? What do you think that trial cost? He’s lucky he got it. Know what I mean? Now, look – we’re all grown-ups in here. We heard the facts, didn’t we? You’re not gonna tell me that we’re supposed to believe this kid, knowing what he is. Listen, I’ve lived among them all my life – you can’t believe a word they say, you know that. I mean they’re born liars.” 7

Jurylid #8 betwijfelt echter de eerlijkheid van het proces en de onfeilbaarheid van de feiten. Al snel blijkt dat feiten, vooroordelen, verkeerde inschattingen en andere belangenverstrengelingen moeilijk gescheiden te houden zijn.

Jurylid #10 noemt de jongen one of ‘them’. Ze zijn born liars. Hij laat hier in dezelfde adem zien dat er meer meespeelt dan slechts the facts. Het jurylid, de waarheidszoeker, heeft vooroordelen over de afkomst van de jongen. In eerste instantie was de schuld van de jongen evident, maar later blijkbaar niet op dezelfde gronden: jurylid #7 wilde zo vroeg mogelijk klaar zijn om naar een baseball game te gaan, jurylid #2 was te verlegen om zijn mening te verdedigen, jurylid #12 was snel afgeleid en erg beïnvloedbaar, en jurylid #4 overschatte zijn eigen geheugen. Jurylid #3 was een geval apart. Hij heeft een slechte relatie met zijn zoon. Zij spreken elkaar niet meer, waardoor het jurylid de gevoelens over zijn zoon projecteerde op de veroordeelde jongen. Hij gaf allerlei rationele redenen om de schuld van de jongen te beargumenteren, totdat hij uiteindelijk inziet dat hij geleid werd door andere belangen:

Juror #3: Well… say something! You lousy bunch of bleedin’ hearts. You’re not goin’ to intimidate me – I’m entitled to my opinion! [He sees the picture of his son on the table]

Juror #3: Rotten kids… you work your life out! [He grabs the picture and tears it to pieces. He suddenly realizes what he’s doing]

Juror #3: [Breaks down] No. Not guilty. Not guilty.8

 

Kortom, feiten en objectiviteit zijn vaak minder onfeilbaar dan dat ze in eerste instantie lijken. Mensen plaatsen anderen al snel op irrationele wijze in onterechte categorieën, wat vervolgens verklaard wordt via rationele argumenten, terwijl het slachtoffer nauwelijks aan zijn veroordeling kan ontsnappen.

Bubers Ik-Jij ontmoeten in plaats van Ik-Het ervaren

Martin Buber geeft in Ich und Du een alternatieve manier om met mensen in relatie te treden: ontmoeten vanuit de dialoog. Hij maakt een onderscheid tussen twee soorten relaties, namelijk Ik-Het en Ik-Jij relaties. Ik-Het relaties zijn relaties waarin de Ik het Het ervaart. Buber omschrijft het als volgt: “Wie ervaart, heeft geen deel aan de wereld. De ervaring is immers ‘in hem’ en niet tussen hem en de wereld. De wereld heeft geen deel aan de ervaring. Zij laat zich ervaren, maar het gaat haar niet aan, want zij draagt er niets toe bij en haar overkomt niets ervan.”9

 

De Ik-Het relatie is een analytisch proces waarbij de Ik de kwaliteiten van een object in de wereld, het Het, ervaart. Dit ervaren gebeurt vanuit de Ik, zonder dat het Het daar een actieve rol bij speelt. Het Het komt hierbij niet aan bod als iets dat op zichzelf staat, maar wordt afstandelijk beschouwd als een instantie van abstracte categorie van soortgelijke objecten, te midden van een reeks andere objecten. De abstrahering vervreemd het Het van zijn zelfstandigheid, want het is meer dan object te midden van objecten. Tegelijkertijd vervreemd het Ik zichzelf door geen tweezijdige relatie aan te gaan met het Het, waardoor uiteindelijk beiden op afstand van elkaar blijven. Er is echter een alternatief dat de Ik niet vervreemdt:

“Stel ik mij tegenover een mens als tegenover mijn Jij, spreek ik het grondwoord Ik-Jij tot hem, dan is hij geen ding onder dingen en bestaat hij niet uit dingen. Niet Hij of Zij is hij, begrensd door andere Hij’s of Zij’s, een in het wereldnetwerk van ruimte en tijd geregistreerd punt; niet een gesteldheid die te ervaren, te beschrijven is, een losse bundel genoemde eigenschappen. Maar hij is Jij, zonder buren, zonder voegen en vult het hemelrond. Niet alsof er niets anders zou zijn dan hij, maar al het andere leeft in zijn licht.”10

Buber oppert een alternatief voor de asymmetrische vervreemdende ervaring. Door in een Ik-Jij relatie te treden, maakt afstandelijkheid plaats voor ontmoeting. Bij de Ik-Het relatie wordt het Het bekeken vanuit de wereld. Bij een Ik-Jij ontmoeting wordt de wereld bekeken vanuit de Jij. Dan begint de relatie bij de Jij. De wereld is nu secundair, en wordt bekeken vanuit de Jij, in plaats van andersom. Hiermee komt de Jij op voorgrond en wordt zijn uniciteit gewaarborgd.

Conclusie

Driemaal toonde literatuur en film hoe het benaderen van mensen aan de hand van generalisatie, narratieven, en abstracte categorieën onrecht doet aan de persoon. Bij La Nausée werd beargumenteerd dat het behandelen van mensen als instanties van abstracte symbolen, zoals de Middelbare man, de man van vlees en bloed wegcijfert. Bij L’Étranger werd getoond hoe een persoon vergeten kan worden in het rechtsproces wanneer het plot van zijn leven voor hem wordt ingevuld. Meursault betaalt de hoogste prijs: de dood. Ook de naamloze jongen uit Twelve Angry Men is prooi van de vooroordelen van zijn beoordelaars. Hij bekocht dat gelukkig net niet met de dood, al was dat slechts bij gratie van de aanwezigheid van jurylid #8. In veel gevallen zal iemand die zo sceptisch is zoals hij niet aanwezig zijn, waardoor in die gevallen een veroordeelde zonder enig overleg naar de elektrische stoel wordt gestuurd. Een vierde werk, Ich und Du, gaf een constructief alternatief: een Ik-Jij ontmoeting. Door de problemen van de generalisering van mensen, en in het bijzonder in het recht, bloot te leggen door middel van literatuur en film, en bovendien een alternatief te bieden, blijkt tegelijkertijd de geschiktheid van deze media om dergelijke problemen aan te kaarten. Het verdiepen in dergelijke werken draagt bij aan een rechtvaardiger handelen door aandacht te schenken aan het subject.

Bibliografie

  • Buber, M., Ik en Jij, Utrecht: Erven J. Bijleveld 1998 (Ich und Du 1923, vertaald door M. Storm).
  • Camus, A., De Vreemdeling, Amsterdam: De Bezige Bij. 1994 (1942, vertaald door A. Morriën)
  • Lumet, S., 12 angry men, 1957. (Director), Fonda, H., & Rose, R. (Producers), & Rose, R., & Hopkins, K. (Writers).
  • Sartre, J.P., Walging, Den Haag: Mouton & Co. 1961 (1938, vertaald door H.P. v.d. Aardweg)

Referenties

1. J.P. Sartre, 125.

2. Ibid., 131-132.

3. Ibid., 125.

4. A. Camus, 151.

5. Ibid., 153.

6. Ibid., 148-149.

7. S. Lumet, 12 Angry Men.

8. Idem.

9. M. Buber, 10.

10. Ibid., 13.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie