Universiteit Leiden

nl en

Oranjes profiteerden meer van kolonialisme dan zij het vormgaven

Het Huis Oranje-Nassau steunde het Nederlandse kolonialisme eeuwenlang met overtuiging, maar bepaalde het koloniale beleid zelden. Dat concludeert een onafhankelijk onderzoek dat op 2 oktober aan koning Willem-Alexander is gepresenteerd. ‘De tijdsgeest is geen excuus’, zei hoofdonderzoeker Gert Oostindie.

Historicus Gert Oostindie overhandigde de koning in het Academiegebouw vijf boeken over het koloniaal verleden van de Oranjes. Willem-Alexander nam in 2022 het initiatief tot het onderzoek naar de rol van zijn familie. Het Koninklijk Huis had geen inhoudelijke bemoeienis met de opzet, uitvoering of resultaten van het onderzoek. Aan het onderzoek werkten zo’n zestig wetenschappers.

Koning: ‘schrijnende en confronterende conclusie’

De koning bedankte de onderzoekers voor hun ‘diepgravende werk’. ‘Dit onderzoek biedt duidelijkheid. De bevindingen zijn onverbloemd en indringend.’ Het onderzoek liet volgens de koning zien dat tegendraads leiderschap ontbrak, waar het wel een verschil had kunnen maken. ‘Dat is een schrijnende en confronterende conclusie. Een conclusie die mij raakt.’

De koning zei dat hij de resultaten van het onderzoek omarmt. ‘Voor mij is dit werk geen afronding, maar een aansporing. Ik kan het verleden niet veranderen, maar wel mijn best doen om een positieve bijdrage te leveren aan het heden en de toekomst.’ Hij ziet de uitkomsten als een extra stimulans om zich te blijven inzetten voor ‘heling, verbinding en verzoening’. ‘Het historisch perspectief dat dit onderzoek daarbij biedt, is van essentiële waarde.’

Koning Willem-Alexander reageert op de bevindingen van het onderzoek.

Eeuwenlange steun aan kolonialisme

De onderzoekers bestudeerden de rol van de Oranjes vanaf 1600 tot het heden. Hun eerste hoofdconclusie is dat het Huis Oranje-Nassau ‘met overtuiging en zonder wezenlijke bedenkingen’ betrokken was bij het kolonialisme. Alle stadhouders, koningen en koninginnen tot en met Wilhelmina beschouwden het kolonialisme als legitiem en belangrijk voor Nederland. Ook zagen zij koloniale oorlogvoering en de gewelddadige onderdrukking van opstanden onvermijdelijk en gerechtvaardigd.

De stadhouders en koning Willem I maakten volgens het onderzoek geen bezwaar tegen de handel in slaafgemaakten of slavernij. Willem II en Willem III (19e eeuw) dachten daar anders over, maar steunden de afschaffing niet. Hoewel de onderzoekers vrijwel geen expliciet racistische uitspraken van de Oranjes vonden, steunden zij wel beleid dat uitging van Europese, witte superioriteit.

‘De tijdgeest is geen excuus’, zei Oostindie tijdens de presentatie. ‘Zij wisten van verzet, er circuleerden andere opvattingen. Zij hadden zich anders kunnen opstellen. Zij hadden een voorbeeld kunnen geven.’ Tot koningin Juliana gebruikten de Oranjes hun positie volgens hem nooit om landgenoten anders over kolonialisme of slavernij te laten denken.

Alleen Willem I bepaalde de koers

De steun van de Oranjes betekende niet dat zij bepalend waren voor het koloniale beleid. In de periode van de Republiek (17e en 18e eeuw) hadden de stadhouders beperkte macht over koloniale zaken. Bestuurders van onder meer de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de West-Indische Compagnie en de Staten-Generaal bepaalden de koers.

Koning Willem I vormt hierop de grote uitzondering. Hij had wel het exclusieve recht om het koloniale bestuur te bepalen en maakte daar ook volop gebruik van. Zo richtte hij de Nederlandsche Handel-Maatschappij op, die het winstgevende cultuurstelsel introduceerde. Vanaf 1848 kreeg het parlement steeds meer zeggenschap en nam de politieke invloed van het koningshuis af. De Oranjes bleven het kolonialisme daarna vooral symbolisch legitimeren.

‘Zonder de Oranjes was Nederland ook wel een koloniale mogendheid geworden’, vatte Oostindie de conclusie samen. ‘Daar waren geen stadhouders of vorsten voor nodig.’

Inkomen en prestige

Het kolonialisme was volgens de onderzoekers uiteindelijk belangrijker voor het Huis Oranje-Nassau dan andersom. Het vergrootte het nationale en internationale prestige van de familie en leverde inkomsten op. Vooral in de negentiende eeuw profiteerden de Oranjes aanzienlijk: naar schatting in de orde van een half miljard hedendaagse euro’s. De Verenigde Oost-Indische Compagnie en later Nederlands-Indië waren daarbij cruciaal.

Aan de trans-Atlantische slavenhandel en de Caribische slavernij verdienden de stadhouders en koningen vrijwel niets. Dat kwam volgens Oostindie niet omdat zij daarvan afzagen, maar doordat pogingen om eraan te verdienen mislukten. Koloniale benoemingen, contracten en contacten versterkten indirect wel hun maatschappelijke en bestuurlijke positie.

Het onderzoek laat volgens Oostindie zien dat de betrokkenheid verder ging dan het uitblijven van verzet tegen slavernij. Hij sprak tijdens de presentatie van ‘eeuwenlange actieve en onscrupuleuze steun aan het kolonialisme, met inbegrip van de slavernij zolang die bestond’. Daarmee was het Huis Oranje-Nassau volgens Oostindie ‘met overtuiging betrokken, en dus zonder enige twijfel medeverantwoordelijk’ voor het Nederlandse kolonialisme.

Meer weten over het onderzoek? Bekijk het dossier ‘Het Huis Oranje-Nassau en de koloniale geschiedenis’.

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.