Universiteit Leiden

nl en

Promotie: de historische ontwikkeling van de condictio

In het huidige Nederlandse burgerlijk recht kunnen de revindicatie en de vordering uit onverschuldigde betaling samenlopen. Dat is opvallend, want in het Romeinse recht, dat aan de basis staat van ons huidige rechtssysteem, waren beide vorderingen in beginsel juist aan elkaar tegengesteld. Promovendus Tobias van der Wal zocht uit hoe dit kan en verdedigt 12 februari zijn proefschrift.

De voorbereiding van het ontwerp van het Nieuw Burgerlijk Wetboek duurde vele jaren langer dan oorspronkelijk gedacht: nadat rechtsgeleerde Eduard Meijers in 1947 de opdracht tot het ontwerp had aanvaard, werden de voor het vermogensrecht belangrijkste delen van het wetboek pas in 1992 ingevoerd. 'De oorzaak van de vertraging was voor een belangrijk deel gelegen in het feit dat het werk aan het nieuwe wetboek na de dood van Meijers werd voortgezet door een driemanschap, bestaande uit juristen Jan Drion, Jannes Eggens en Frits de Jong', zegt Van der Wal. 

'Zij beschouwden de bijna voltooide wetsteksten van Meijers als voorstudie en aangrepen voor uitvoerig rechtsvergelijkend debat. Dit had echter als positief effect dat de leden van het drietal, tijdens de honderden vergaderingen die zij hielden, de tijd namen om vragen te bespreken waar reeds de Romeinse juristen zich over hadden gebogen. Zo werd in de vergadering van 6 september 1956 de oude vraag behandeld of het mogelijk was dat de eiser in een proces de keuze had tussen de eigendomsactie (de revindicatie) en de vordering uit onverschuldigde betaling (de vordering die ter beschikking staat aan degene die een prestatie zonder rechtsgrond heeft verricht). De drie, op dit punt aangevoerd door Jan Drion, meende van wel. Professor Bregstein, die sinds zijn Amsterdamse promotie over de ongerechtvaardigde vermogensvermeerdering gezaghebbend was op dit onderwerp en om advies van buitenaf werd gevraagd, meende echter van niet. Dit meningsverschil kwam tot uiting in een telefoongesprek waarin Bregstein aan Drion zijn ongenoegen kenbaar maakte over de door het driemanschap ingezette koers.'

Tobias van der Wal

Uitzondering

'Nu doet zich het interessante gegeven voor dat de standpunten die zowel Bregstein als Drion tijdens dit telefoongesprek verdedigden, op een lange rechtshistorische traditie konden bogen. Bregstein ging uit van de Romeinsrechtelijke hoofdregel dat de revindicatie en de vordering uit onverschuldigde betaling, in het Romeinse recht de 'condictio' genoemd, elkaar uitsluiten. Met de eerste actie stelde de eiser immers eigenaar van een zaak te zijn, met de tweede actie stelde hij eigenaar te willen worden. Een overlap, of 'samenloop', tussen beide acties was zodoende uitgesloten. Maar ook Drion stond in een traditie die tot het Romeinse recht terugvoerde. Reeds Gaius erkent immers de uitzondering die op deze hoofdregel van wederzijdse exclusiviteit bestond. Zo kon de bestolen eigenaar, vanwege de 'afkeer van dieven' die de Romeinen eigen was, de dief zowel aanspreken met de revindicatie, als, opvallend genoeg, met de condictio – dit laatste ondanks het feit dat de dief geen eigenaar was geworden van de gestolen zaak, en ook niet tot eigendomsoverdracht van deze zaak in staat was.'

De vraag waar het driemanschap zich nu voor gesteld zag was, kort gezegd, of de Romeinsrechtelijke hoofdregel diende te worden gevolg, of dat de uitzondering in het nieuwe wetboek diende te worden neergelegd, zegt Van der Wal. 'Deze vraag rees in het 1956 niet langer in het geval van diefstal, maar was van belang tegen de achtergrond van het gegeven dat degene die een onverschuldigde betaling had verricht, eigenaar was gebleven van de onverschuldigd betaalde zaak. Het geldende causale stelsel van eigendomsoverdracht verhinderde immers dat eigendom van deze zaak overging wanneer een obligatoir geldige titel ontbrak. Kon de betaler zich in zo’n geval, naast de revindicatie, ook bedienen van de vordering uit onverschuldigde betaling? Drion meende van wel (hij stelde dat deze samenloop wenselijk was vanuit bewijsrechtelijk perspectief) en trok hierbij uiteindelijk aan het langste eind. Bregstein kon zich aan het eind van het telefoongesprek 'wel met het gekozen systeem verenigen', hoewel hij, na enige reflectie, zijn oorspronkelijke standpunt, tevergeefs, hernam.'

Ius commune

Dit proefschrift bespreekt de vraag hoe de condictio zich heeft ontwikkeld van een actie die in het Romeinse recht, in beginsel, aan de revindicatie was tegengesteld, tot een actie die met de revindicatie kan samenlopen. De studie stelt zich tot doel om, door middel van rechtsvergelijkend onderzoek op historische grondslag, inzicht te verschaffen in deze ontwikkeling. Hiertoe wordt het klassieke Romeinse recht onderzocht dat, via de receptie van het Romeinse recht in het middeleeuwse 'ius commune', aan de basis staat van de codificaties van het burgerlijk recht in Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Nederland. In het bijzonder gaat de aandacht uit naar het ontwerp van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in de tweede helft van de 20e eeuw.

Geconcludeerd wordt dat de aanvaarding van een causaal stelsel van eigendomsoverdracht weliswaar niet het noodzakelijke, maar wel het vanzelfsprekende gevolg heeft, dat de condictio een vordering is die niet langer op eigendomsoverdracht is gericht, en daarom met de revindicatie kan samenlopen. Degene die een onverschuldigde betaling heeft verricht, bevindt zich zo in de positie waarin de bestolen eigenaar naar Romeins recht zich bevond.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie