Universiteit Leiden

nl en

Rechter over Grenzen

Op dinsdag 19 december om 16:15 uur verdedigt Anneloes Kuiper-Slendebroek haar proefschrift 'Rechter over Grenzen' over de toepassing en interpretatie van internationaal recht in het Nederlands privaatrecht. Haar promotor is mr. M.V. Polak, raadsheer Hoge Raad, en haar co-promotor is mr. J.A. van der Weide.

Anneloes Kuiper-Slendebroek.
Anneloes Kuiper-Slendebroek

Over allerlei onderwerpen die ook in Nederland actueel zijn worden internationale afspraken gemaakt: klimaatverandering, mensenrechten, maar ook afspraken over de bescherming van consumenten en de rechten en regels in zaken als kinderontvoering.

Door middel van verschillende casestudies is onderzoek gedaan naar de werking, de interpretatie en toepassing van deze internationale regels in het nationale recht. Uit dit onderzoek in verschillende rechtsgebieden kunnen grensoverschrijdende conclusies getrokken worden. Zo blijkt de Nederlandse rechter afwisselend wel en geen gebruik te maken van internationale interpretatieregels, gaat hij niet over tot interpretatie van internationale bepalingen enkel omdat deze 'gericht zijn aan de staat' en laat hij zich (onterecht) leiden door het EU-recht bij het interpreteren van internationale verdragen. De verbeteringen op deze punten zijn tezamen met de overige bevindingen samengebracht in een stroomschema. Deze is te vinden na de volgende korte toelichting op de verrichte casestudies.

Wanneer de regering namens Nederland internationale afspraken maakt, bijvoorbeeld dat iedereen recht heeft op onderwijs of op gelijke betaling voor gelijk werk, betekent dat nog niet automatisch dat de Nederlandse burger een beroep op deze rechten kan doen. In de gevallen waarin er geen nationale wetgeving bestaat waarin deze rechten zijn opgenomen, of de gevallen waarin de nationale wetgeving in strijd is met deze rechten, kan de burger wel naar de Nederlandse rechter om te vragen de nationale wetgeving opzij te zetten en het internationale recht voorrang te geven. Dit kan voor verdragen en besluiten van internationale organisaties met een beroep op de artikelen 93 en 94 Grondwet. De rechter toetst dan of het internationale verdrag of besluit ‘rechtstreekse werking’ heeft, dat wil zeggen: of deze zonder te bestaan in de nationale wetgeving toch rechtstreeks kan worden toegepast in de zaak van deze burger. In dit onderzoek is gekeken naar de criteria waarop de rechter deze ‘rechtstreekse werking’ baseert, en ook naar de gevallen waarin geen rechtstreekse werking wordt gevonden. Voor internationale bepalingen zonder rechtstreekse werking kijkt de rechter of de verdragsbepaling op een andere manier kan worden toegepast, bijvoorbeeld door het bestaande nationale recht of de wél rechtstreeks werkende internationale bepalingen die op deze bepaling lijken ruimer te interpreteren.

Naast deze rechtstreekse werking is onderzocht hoe de Nederlandse rechter het internationale recht interpreteert en toepast. Een internationaal verdrag dat door veel verschillende staten is opgesteld, moet door elke nationale rechter worden geïnterpreteerd. Dit gebeurt (logischerwijs, zou je zeggen) vanuit het rechtstelsel waarin het verdrag wordt gebruikt, maar er moet vooral gekeken worden naar wat de verdragspartijen hebben bedoeld met een bepaald verdrag of wat gebruikelijk is in de praktijk. In sommige gevallen is het heel belangrijk dat een verdrag ‘uniform’, dus overal op dezelfde manier wordt geïnterpreteerd: een zaak in Nederland over een kind dat vanuit Marokko naar Nederland wordt ontvoerd, moet op dezelfde wijze worden beoordeeld als een zaak in de Verenigde Staten over een daarheen ontvoerd Nederlands kind. Gebeurt dit niet, dan verliezen landen - de verdragspartijen - vertrouwen in het verdrag en de uitvoering daarvan, en heeft het sluiten van verdragen weinig zin. In dit onderzoek is aan de hand van rechtspraak aangekaart welke internationale interpretatieregels ondersteuning bieden bij de interpretatie van verdragen. In sommige rechtsgebieden wordt hier al veel gebruik gemaakt, maar in andere minder. Het doel van dit deel van het onderzoek is dan ook om een algemene werkwijze te geven om tot een verbetering van de interpretatie van internationale verdragen te komen, in elk rechtsgebied.

Ook is gekeken naar de samenloop met het Europese Unierecht. Soms zijn er internationale verdragen die door de Europese Unie (EU) zijn opgenomen in het EU-recht, of die gaan over een onderwerp waarover ook een EU-regeling bestaat. Als er bij de rechter een beroep wordt gedaan op een internationaal verdrag of een EU-regeling, dan moet de rechter vooral goed kijken naar welke staten partij zijn in deze zaak: zijn dit twee EU-staten, die allebei zijn gebonden aan het recht van de EU, of zijn dit een EU en een niet-EU staat, en moet het internationale recht worden toegepast? Een belangrijke internationale regel luidt dat een staat vrij is om te bepalen aan welk recht hij is gebonden. Bijvoorbeeld in Argentinië hoeft men zich (op zijn eigen grondgebied) niet te houden aan de regels van de EU als het gaat om bijvoorbeeld de regeling voor de vergoeding bij vliegtuigvertragingen, of het EVRM (Europees mensenrechtenverdrag). In Nederland is door de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie heel veel EU-recht verweven met het nationale recht en, zo blijkt uit het onderzoek, ook met het internationale recht waar Nederland partij bij is. Het gebeurt dus wel eens dat een EU-regeling wordt toegepast in een zaak waar een niet-EU staat partij bij is, terwijl dan alleen het internationale recht zou moeten worden toegepast. Hierop moeten rechters alert zijn.

Al deze bevindingen zijn opgenomen in een stroomschema met als doel de Nederlandse rechter te helpen om in dit soort gevallen het juiste recht op de juiste wijze toe te passen.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie