Universiteit Leiden

nl en

IJsberen tussen onze gedachten: Recht en Tragedie II

Carinne Elion-Valter blikt in dit verslag terug op de tweede lezing van Recht en Literatuur 'Recht en Tragedie II', die door Timo Slootweg werd verzorgd op 21 oktober 2016.

‘God is dood’, liet Nietzsche (1844-1900) in De vrolijke wetenschap de dolle mens zeggen. Nietzsche vertelt dat deze dolle mens op klaarlichte dag een lantaarn opsteekt en, terwijl hij over de markt loopt, naar God zoekt.1  Nietzsche zou met zijn uitspraak hebben willen zeggen dat de mensen de schellen van de ogen zijn gevallen, ongelovig zijn geworden uit realisme en rationalisme. Nietzsche bedoelde misschien wel iets anders, vertelde Timo Slootweg op 21 oktober jl. in Leiden, tijdens zijn tweede lezing over Recht, literatuur en tragiek.

Nietzsche meende mogelijk dat niet zozeer God als wel een bepaalde vorm van geloof monddood was gemaakt. Rationalisme en nuts- c.q. marktdenken (vergelijk de markt waarover die dolle mens met zijn lantaarntje dwaalt, CEV) creëerden een rationele idee van God. En de burgerlijke moraal kaderde Hem sociaal in. Volgens Nietzsche was het Christendom een geïnstitutionaliseerde ‘haat tegen de wereld’; het christelijk geloof vervloekt de emoties en boezemt angst in voor schoonheid en zinnelijkheid. Het is in uiterste instantie een verlangen naar rust, bereidt voor op de ‘sabbat der sabbatten’ en getuigt van levensarmoede en ressentiment.2 Voor een persoonlijke geloofsbelevenis en het doorvoelen van de tragische dimensie van het bestaan is daarmee geen plaats meer. Nietzsche kan dan ook, anders dan men denkt, juist wel in verband worden gebracht met het Christendom. Nietzsche liet zich bijvoorbeeld inspireren door een 17e-eeuwse denker en schrijver en wiskundige, Blaise Pascal (1623-1662). Pascal was zeer gelovig.3 Zijn bekendste werk, Les Pensées, is een verdediging van de grootsheid van God vanuit een diep besef van de beperktheid van de menselijke kennis.

Meer in het bijzonder, stelde Slootweg, kan Nietzsche in verband gedacht worden met een existentialistisch Christendom zoals onder meer verwoord door de Deense denker Kierkegaard (1813-1855). In die geloofsbeleving gaat het om een persoonlijke verhouding van de gelovige tot God. Deze relatie wordt niet beheerst door handelingsvoorschriften vanuit een maatschappelijk verantwoord moralisme. De geloofsbeleving staat veeleer in het teken van persoonlijke overgave en van de acceptatie dat het leven niet beheersbaar is, dat God misschien onkenbaar is en dat er geen scherpe scheiding is aan te brengen tussen goed en kwaad, maar dat beide deel zijn van het leven. Volgens filosoof Max Scheler (1874-1928), ook een inspirator van Nietzsche, kan de zondaar beschouwd worden als de belichaming van de mogelijkheden van het leven, de ‘beweeglijkheid des levens’ en staat het Christendom voor passie en het liefdesgebod.4 Deze vorm van Christendom sluit aan bij Nietzsche’s ideeën over het leven als een zaak die niet beheersbaar is volgens Apollinische rationaliteit, maar als een esthetische ervaring, rauw, chaotisch, onpeilbaar, onvoorspelbaar en tragisch, een manifestatie van de Dionysische geest (zie de eerste lezing van Slootweg op 23 september). Persoonlijke en maatschappelijke kwesties laten zich dan ook niet oplossen en beheersen door regels en morele voorschriften, ingegeven door een ‘blijmoedig socratisme’ of een Aristotelische deugdenethiek.

Volgens Slootweg zijn Nietzsche en het existentialistisch Christendom van belang voor het recht. Het ‘blijmoedig’ rechtsposivitisme heeft geen antwoord op de onkenbaarheid en onbeheersbaarheid van de werkelijkheid en de feilbaarheid van de wet, omdat het er geen oog voor heeft. Nietzsche en het denken van Kierkegaard en anderen geven argumenten voor de onderkenning van het recht als een tragische onderneming en van de rechtspraak als de opvoering van een tragedie. Deze onderkenning is terug te vinden in de visie op het recht van de Nederlandse rechtsgeleerde Paul Scholten (1875-1946). Hij houdt wel rekening met de tragische dimensie van het recht, bijvoorbeeld waar hij reflecteert over het rechterlijke oordelen. In uiterste instantie is oordelen voor Scholten een handelen in wijsheid. De wijsheid betoont zich in de aanvaarding van het subjectieve karakter van het oordelen en in de moed om afstand te doen van de pretentie tot volkomen objectiviteit en om ondanks dat te handelen, te oordelen.5 Oordelen is daarmee veeleer kunst dan wetenschap, eerder schepping dan toepassing.6

Het verband dat Slootweg legde tussen Nietzsche en onder meer Kierkegaard en Scholten toont dat men rechts- en levensovertuigingen niet kan scheiden, zonder beide te schaden. Men kan niet rechtspreken noch spreken over het recht zonder overtuigingen. Maar welke overtuiging dan? Nietzsche’s onthulling van de door een rationalistisch, legalistisch en moralistisch Christendom dood-gerationaliseerde God brengt eveneens aan het licht dat er voor de mens niets kwellender is dan gewetensvrijheid. Slootweg haalde daarbij de Russische auteur Dostojewski (1821-1881) aan en wees zo vooruit naar de volgende lezing over Recht en literatuur op 25 november door Claudia Bouteligier.

In de geanimeerde nazit kwam de vraag op naar de praktische relevantie van dit alles. Uit de discussie kwam naar voren dat het denken is als een dwalen door een enorme bibliotheek. Zoiets als de labyrintische bibliotheek uit een bekende roman van de Italiaanse schrijver en semioticus Umberto Eco (1932-2016), De naam van de roos. Hoofdrolspeler, monnik William Baskerville stelt dat de boeken uit die bibliotheek met elkaar een permanent gesprek houden. Met andere woorden: Recht & literatuur (en filosofie) is te beschouwen als een onderneming die boeken en ideeën en tradities met elkaar in gesprek brengen. Dat gesprek hebben we allemaal nodig. Immers, als gewetensvrijheid een kwelling is, zoals Dostojevski stelt, dan moeten we in onze geest handelen zoals iedere gekwelde doet, namelijk ijsberend tussen onze gedachten. Zo wordt ook duidelijk dat als de rechtsbeoefening te beschouwen is als kunstvorm, zij zoals andere kunstvormen in staat moet zijn om de gruwelen en de absurditeit van het bestaan om te vormen tot voorstellingen waarmee te leven valt. Ofwel, wet, juridisch denken en oordeelsvorming maken het samenleven denkbaar en leefbaar. Het recht geeft woorden aan onze dilemma’s. Die woorden (en achterliggende gedachten) moet iedere rechtsbeoefenaar tot zijn beschikking hebben.

Zo was deze lezing over Recht en literatuur een uitstekende kennismaking met de mogelijkheden om ogenschijnlijk verschillende disciplines met elkaar in contact te brengen. Timo Slootweg gaf een inspirerende lezing die tot veel vragen en reacties leidden. En dat is een teken van succes in dit kader.

Referenties

1. Nietzsche, De vrolijke wetenschap, 1992, p. par. 125

2. Nietzsche, nn, p. 14

3. Hij behoorde tot een devote welhaast calvinistische stroming van de katholieke kerk, het jansenisme

4. Scheler, 2008, p. 71

5. Scholten, 2010, pp. 134-5

6. Scholten, De structuur der rechtswetenschap, 1949

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie