Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

'Leidse cafés zijn ideale plekken om een proefschrift te schrijven'

De Amerikaanse promovenda Linda Gottschalk schreef deze stelling in haar proefschrift over Caspar Coolhaes, de eerste hoogleraar Godgeleerdheid in Leiden. Vanwaar deze stelling?

Relaxte sfeer

‘Leidse cafés serveren goede koffie die stimuleert, fijne thee voor contemplatie en ‘volwassen’drankjes om wat te vieren. De sfeer is relaxed. Vooral bij somber weer ben ik blij dat ik binnen kan werken. Het gedimde licht, vooral in de bruine cafés, zorgt voor minimale visuele afleidingen waardoor ik me kan focussen op het laptopscherm, zonder dat er wreed zonlicht op schijnt.

Personeel is niet té vriendelijk

‘Er zijn zoveel goede cafés dat ik gemakkelijk naar een volgende kan ontsnappen als de ene niet bevalt. Conversaties van anderen, voetstappen en muziek, vaak lichte jazz, zorgen samen voor een plezierig ‘wit’ achtergrondgeluid dat perfect is voor diepe concentratie. Zelfs op marktdagen lost het winkelend publiek met luidruchtige kinderen op in het algehele rumoer. Het personeel is aangenaam maar niet té vriendelijk, zoals in de Verenigde Staten waar je herhaaldelijk een bezoekje krijgt van bedienden - hetgeen gênant kan zijn als je vaak en lang op dezelfde plek werkt.

Deel uitmaken van een lange traditie

Stad en toga zijn beiden vertegenwoordigd in Leidse cafés. Je er bewust van zijn dat je deel uitmaakt van de togakant zorgt voor een kleine sensatie. Er zijn zoveel lokale types in Leiden, een proefschriftschrijver is een van de vele. Iemand zien die academisch werk doet in een publieke ruimte verrast de locals niet, zoals dat misschien wel het geval is in een dorpscafé. Deel uitmaken van een traditie, waarin gedurende honderden jaren zoveel succesvolle proefschriften zijn geschreven door mannen en vrouwen die in dezelfde cafés hebben geschreven en in dezelfde straten hebben gelopen, versterkt op moeilijke momenten het vertrouwen dat het goed komt.

De goedkeuring van Coolhaes

‘Mijn vrienden bezoeken niet vaak cafés, dus op deze plekken word ik niet afgeleid door hen. Aan de andere kant is het eenvoudig om hier ontmoetingen te regelen met collega’s om vriendelijk te kunnen discussiëren. Cafés zijn niet druk in de ochtend en dat is mijn beste tijd om te schrijven. Alle cafés in het centrum van Leiden liggen vlakbij de historische plaatsen die ik noem in mijn proefschrift hetgeen inspireert. En tot slot: de dominee Coolhaes, die verketterd werd door de kerk en daarom uit economische noodzaak een bedrijfje in alcohol begon, zou elke plaats waar jenever wordt geschonken, goedgekeurd hebben.’