Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Gerret Pieter Rouffaer dompelde zich onder in Indische cultuur

Rouffaer, de laatste Indische ontdekkingsreiziger. Zo heet de tentoonstelling die in de Oude UB, Rapenburg 70, te zien is. Rouffaer (1860-1928) was een self made geleerde, deskundige op het gebied van Indië, Leids eredoctor en grondlegger van de ‘Koloniale bibliotheek’ van het KITLV.

Niet hoeven werken

Maar zelden heeft iemand die zo weinig hoefde te doen, juist zo veel gedaan. Dat schrijft Frank Okker, samensteller van de tentoonstelling en de biograaf die Gerret Pieter Rouffaer een tweede leven gaf. Rouffaers ouders stierven jong, als gevolg waarvan Gerret en zijn drie oudere zusters een aanzienlijke som erfden: 30.000 gulden per persoon. Nu is dat een leuk bedrag, toen voldoende om lang niet te hoeven werken. Wat Rouffaer tóch deed.

Lange kunstreizen

Gerret Pieter Rouffaer

Rouffaer studeerde mijnbouwkunde in Delft, maar hij had een veel bredere belangstelling: hij las historische, economische en literaire boeken. Daaronder was het volledige werk van Multatuli, die hij zeer bewonderde.  Ook was hij zeer geïnteresseerd in kunst. Hij gaf zijn studie, die hij niet internationaal genoeg  vond, eraan en maakte lange kunstreizen door Europa. Daarbij leerde hij en passant Italiaans, Spaans en Portugees, vooral om boeken in de originele taal te kunnen lezen. Hij schreef artikelen over kunst, en kocht ook werken aan die hij vervolgens vaak weer wegschonk, waaronder een kostbaar 17 de-eeuws schilderij aan het Rijksmuseum in Amsterdam.​

Biografie van Multatuli

Nadat Rouffaers geliefde oudste zuster in 1885 was overleden, besloot hij voor zijn volgende reis een andere, bijzondere bestemming te kiezen: Indië. Hij zou er een maand of acht blijven, ook om informatie over Multatuli te verzamelen voor een biografie die hij wilde schrijven. Maar het liep anders: Rouffaer verloor zijn belangstelling voor Multatuli vanwege diens irritante ijdelheid en diens neiging de feiten te verdraaien, maar hij werd wél gegrepen door het land. Hij bestudeerde diverse aspecten van de samenleving en was vooral  geïnteresseerd in de geschiedenis en geïntrigeerd door de materiële cultuur. 

Graven bij de Borobudur

De sultan van Djokjakarta

Rouffaers groef eigenhandig een aantal basreliëfs (tamelijk vlakke reliëfs) van de Borobudur uit en maakte er op Chinees papier afbeeldingen van. Ook legde hij de inscripties van de tempels op het Diëng-plateau (Midden-Java) vast. Aan het hof van de sultan van Djokja en de soesoehoenan (Indische vorst) van Solo liet hij tal van historische Javaanse handschriften kopiëren. Dat alles deed hij ook uit vriendschap voor  Jan  Brandes, de bibliothecaris van het Bataviaasch Genootschap. Die maakte studie van de inscripties en vertaalde de teksten voor hem.

Chaos in de bibliotheek

Het verblijf van Rouffaer in Indië duurde uiteindelijk vier en een half jaar. In 1890 moest hij om gezondheidsredenen terug naar Europa. Maar Indië liet hem niet los. Na een jarenlange herstelperiode in Spanje, vestigde Rouffaer zich in Den Haag waar hij de studie van Indië weer opnam, en wel in de bibliotheek van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV). Hij ergerde zich echter zo aan de chaotische verzameling boeken, kaarten en tekeningen dat hij aanbood de collectie te ordenen. Het bestuur beloonde zijn inspanningen met een benoeming (in 1898) tot adjunct-secretaris, tegen een honorarium van 600 gulden per jaar (nu 7500 euro). Het was zijn eerste zelf verdiende geld. In hoog tempo bouwde Rouffaer een ‘Koloniale bibliotheek’ op, inclusief een foto-afdeling: hij kocht kostbare uitgaven op veilingen, ruilde werken met binnenlandse en buitenlandse instellingen en overreedde particulieren tot schenkingen. Wat buiten het budget van het KITLV viel, betaalde hij uit eigen zak.

Eredoctoraat Universiteit Leiden

In 1908 voltooide Rouffaer zijn belangrijkste werk: de Catalogus der Koloniale Bibliotheek. Nog eenmaal reisde hij af naar Indië. Hij verwierf er een onvoorstelbare hoeveelheid unieke werken voor ‘zijn’ Koloniale bibliotheek. De boeken werden in kisten naar het KITLV gezonden. Het instituut beloonde Rouffaer met een erelidmaatschap en in 1921 verleende de Universiteit Leiden hem een eredoctoraat in de letteren en de wijsbegeerte. Tot aan zijn dood bleef Rouffaer nauw betrokken bij de bibliotheek van het KITLV, waaraan hij ook zijn boeken en persoonlijk archief naliet, toen hij in 1928, op 67-jarige leeftijd, overleed.

Collectie KITLV naar Leidse Universiteitsbibliotheek

Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) verhuisde in de jaren tachtig van de vorige eeuw naar het terrein van de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Leiden. In de jaren tien van de 21ste eeuw wilde de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen, waar het KITLV inmiddels onder viel, al haar geesteswetenschappelijke instituten clusteren in Amsterdam. Hier kwam vanuit Leiden fel verzet tegen. Uiteindelijk lukte het om het KITLV, onder leiding van de Leidse hoogleraar Gert Oostindie, te behouden voor Leiden. Het werd in 2014 onderdeel van de faculteit Geesteswetenschappen en de bibliotheekcollectie ging over naar de Universiteitsbibliotheek.

(CH)

Zie ook

Biograaf Frank Okker over de persoon Rouffaer

‘Het meest kenmerkend is zijn eigenzinnigheid, die goed past bij de merkwaardige spelling van zijn voornaam: Gerret. Rouffaer verdiepte zich buitengewoon fanatiek in alles wat maar enigszins zijn belangstelling had, met name op het gebied van de kunst en geschiedenis. Niet al zijn projecten zijn overigens geslaagd, want aan het leren van Oud-Javaans is hij nooit echt toegekomen en dat gold ook voor andere voorgenomen studies. De boeken die hij wilde schrijven, bijvoorbeeld zijn handboek over de batiks, kwamen pas na vele jaren tot stand, vanwege zijn streven naar perfectie. Toch kwam er  veel uit zijn handen, alleen niet altijd in de volgorde waarin hij het gepland had. Dat lees je in het dagboek van zijn tweede reis naar Indië, toen hij een groot aantal kleinere eilanden bezocht en doorging met zijn onderzoek, terwijl hij al ernstig ziek was. Kort voor zijn (gedwongen) terugkeer naar Europa werd vastgesteld dat hij aan syfilis leed.’
‘Gelukkig in de liefde is de homoseksuele Rouffaer niet geworden. Het lijkt erop dat er in Delft al iets speelde en dat het opgeven van de studie mijnbouw meer redenen had dan alléén zijn klacht dat hij die opleiding te weinig internationaal vond. In zijn brieven valt wel het een en ander te lezen over toenadering tot andere mannen, al liet hij zich daar nooit openhartig over uit, wat in zijn tijd ook niet gebruikelijk was. Van stabiliteit in Rouffaers liefdesleven is beslist geen sprake geweest. Een andere onderzoeker concludeerde dat Rouffaer de liefde had opgegeven om zich met al zijn energie op de wetenschap te storten.’

Frank Okker studeerde  aan de Leidse universiteit cum laude af in de moderne letterkunde. Hij promoveerde eveneens in Leiden, op Dirksland tussen de doerians, de biografie van de Nederlands-Indische schrijver Willem Walraven. Nadien schreef hij een tweede biografie, namelijk die van schrijfster/journaliste Madelon Székely-Lulofs, getiteld Tumult. 'Rouffaer' zou zijn derde worden.

Frank Okker: Rouffaer, de laatste Indische ontdekkingsreiziger. Uitgeverij Boom, 300 pag., 19,90 euro