Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Lanoye: 'De nar uit King Lear is voor ons niet meer grappig'

Leidse Gastschrijver 2015 Tom Lanoye is enthousiast over zijn gastschrijverschap, zelfs Amsterdamse studenten bezoeken zijn colleges. Maar één Leidse student heeft zijn hart gestolen: die werkte de hele nacht door om hem ’s ochtends om 6.00 uur zijn opdracht te kunnen mailen. Een interview met de Belgische roman- en theaterschrijver Tom Lanoye.

Gastschrijver 2015

Elk jaar heeft de Universiteit Leiden een gastschrijver. Deze schrijver, die zijn strepen al ruimschoots heeft verdiend, vertelt studenten over zijn ervaringen. Tom Lanoye is geroemd roman- en theaterschrijver met verschillende herbewerkingen van theaterklassiekers op zijn naam. Zijn gastcolleges gaan dan ook niet voor niets over het ‘Herwerken en verwerken’: hoe je klassieke auteurs naar je hand zet.

Bezoek Tom Lanoye's Verwey-lezing 'Literatuur en Tarantino' op 8 oktober 2015

Door Korrie Korevaart
 

Elke maandag oefent Lanoye in Brussel alvast zijn college – voordat hij op woensdag in Leiden zijn gastcollege geeft: ‘Ik doe steeds een try-out in de vroegere studio Herman Teirlinck. Dat dwingt mij om mijn verhaal alvast uit te proberen, zodat ik het enigszins kan condenseren.’ Dat ‘condenseren’ schiet er op woensdag vaak bij in: studenten die Lanoye een vraag stellen, weten intussen dat hij met één antwoord makkelijk een uur vult.

Waar let je op bij het bewerken van oude klassiekers tot moderne verhalen?

Lanoye: “Er moet voldoende universaliteit in de tekst zitten om de bewerking nu nog geldig te laten zijn. De bewerking geeft mij de kans om iets over het hier en nu te zeggen. Er zijn stukken van Shakespeare, zoals Perikles, waar je minder aan hebt dan aan Romeo en Julia, bijvoorbeeld. Humor is ook altijd een probleem. Humor raakt gedateerd, leed nooit. Humor is situatiegebonden: het is lastig omdat je de grondslag er niet altijd van kent. Zoals de nar in King Lear, die is voor ons niet meer grappig.”

Waarom koos je voor de herbewerking van beroemde toneelstukken van Euripides en Shakespeare?

“Ik ben fán van Euripides en Shakespeare. Eén: het is prachtige taal. Twee: het is geniale dramaturgie, en drie: het is politiek. Hun stukken werden mij aangeboden door regisseurs. Want zo werkt het tegenwoordig: ik stel mijn parcours samen uit de voorstellen die van regisseurs komen. Na Richard III, het grootste monster uit de wereldliteratuur, kwam ik uit bij Mamma Medea, het grootste vrouwelijke monster. Ik was toen ook net een romantrilogie begonnen over het monster, een van de grote thema’s in de wereldliteratuur – ook in mijn werk.”

Denk je dat klassieke stukken een moderne vertaling nodig hebben om de 21e-eeuwse bezoekers aan te kunnen spreken?

“Ja, je hebt steeds nieuwe vertalingen nodig, vanwege de taalbarrière. Vondel doet echt niet voor Shakespeare onder, maar Nederlanders kunnen Vondel niet meer lezen vanwege de gedateerde taal. Bewerkingen zijn niet per se nodig. Maar aangezien Shakespeare’s stukken ook allemaal bewerkingen waren, is het veel Shakespeariaanser om zijn werk te bewerken dan om het louter te vertalen. De beste herwerking is een autonome interpretatie die je kunt zien zonder dat je het oorspronkelijke stuk hoeft te kennen, maar die het oorspronkelijke stuk niet vervangt.”

Wat kunnen we verwachten van de theatervoorstelling die je als onderdeel van de Verwey-lezing in de Leidse Schouwburg maakt?

“Bewerkingen van gedichten die uit de Eerste Wereldoorlog stammen. Het is een kleine voorstelling, maar vergt veel inspanning. Het begint als een lezing, maar is een kruising tussen acteren, declameren, lezen en betogen. Ik gebruik een hybride toneelvorm die past in wat we in de Nederlanden hebben ontwikkeld. Er zijn heel weinig sporen van de Eerste Wereldoorlog in de Vlaamse en Nederlandse literatuur te vinden. Wij hebben niet veel meer dan werk van onze modernist Paul van Ostaijen, zoals De feesten van angst en pijn. Ik wil meer van de literatuur over die Eerste Wereldoorlog laten zien. Die literatuur is immers de basis van het modernisme en van het absurdisme. Ik heb gedichten gekozen van klassieke Britse dichters, maar ook van Majakovski en Apollinaire. Het is een ontzettend wrede inval geweest. Plus dat deze oorlog ook culturele gevolgen had en het eind van het sonnet bracht, het eind van de vaste vorm.”