Leiden University logo.

nl en

In Memoriam

In Memoriam

Wie Peter had ontmoet, zag meteen hoe innemend en indrukwekkend hij was. Een imposante man die met zijn prettige stemgeluid en dictie, zijn warme enthousiasme, zijn eruditie en retorische talent altijd een schare luisteraars om zich heen verzamelde. ‘Een ouderwets goede verhalenverteller, maar geen verteller van ouderwetse verhalen’, zo omschreef de toenmalige decaan van de Nijmeegse letterenfaculteit Theo Engelen Peter in 2013. Peter was immens populair, niet in de laatste plaats bij studenten en promovendi. Een oud-student zei het eens als volgt: ‘we schreven blind in voor zijn colleges, zonder nog te weten wat het onderwerp van die colleges was’. Hij zag zichzelf dan ook in de eerste plaats als onderwijzer.

Geboren in Heerlen, ademde zijn jeugd het katholicisme. Hij vertelde graag het verhaal over zijn vader die hem meenam naar de Dom in Aken en daar sprak over de continuïteit van de katholieke tradities sinds Karel de Grote. Ieder die hem kent heeft hem wel eens met breed armgebaar dat andere indrukwekkende verhaal horen vertellen, over de eerste keer dat hij de paus zag in de Sint-Pieter in Rome, ‘een spektakel van heb ik jou daar’. ‘De paus werd gedragen door twaalf Romeinse aristocraten in scharlaken gewaden en het koor zong Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen.’ Een paar jaar geleden ontmoette hij de paus opnieuw, dit keer paus Franciscus, en weer maakte het een gigantische indruk. ‘Ja, uiteraard de man zelf’, zo vertelde hij ons in de Refter, ‘maar meer nog het instituut Paus, die steen waarop de Kerk is gebouwd, dat eeuwenoude instituut, dat te mogen aanschouwen ontroert me.’ In de vijfde klas van het gymnasium, midden in de roerige jaren zestig, besloot Peter dat hij priester wilde worden en later trad hij toe tot de orde der jezuïeten.

Als jezuïet ging hij geschiedenis studeren in Utrecht en later aan de Theologische Hogeschool Amsterdam. Hij specialiseerde zich in Utrecht onder Frits Hugenholtz in de Middeleeuwen. Geïnspireerd door hem en de nouvelle théologie ontwikkelde hij de overtuiging dat een intellectueel historicus moet bouwen op een serieuze kennis van de Latijnse bronnen om inzicht te krijgen in het geestelijk leven van de middeleeuwse mens. Deze kennis bracht hem vaak ook tot verrassend nieuwe inzichten. Een mooi vroeg voorbeeld is zijn artikel uit 1977 over de Kinderkruistocht van 1212 waarin hij liet zien dat het hierbij helemaal niet om kinderen ging en daarmee een lange traditie van schrijven over dat fenomeen volledig onderuit haalde.

In 1978 toog hij naar Oxford voor een promotieonderzoek over de theoloog Richard Rufus van Cornwall (gestorven 1240) bij de beroemde mediëvist Richard Southern en hij kreeg daarvoor een plek in Campion Hall, een college voor jezuïeten in Oxford. Volgens eigen zeggen was het niet Richard Southern die hem naar Oxford trok, al bleek deze een inspirerende promotor, maar de eeuwenoude tradities waarop de universiteit kon bogen. Toch kon hij met smaak vertellen over de bestudeerde nonchalance van Southern, die zijn redevoeringen hield op basis van aantekeningen op oude enveloppen. Die waren natuurlijk zorgvuldig geselecteerd. Wij herkennen hierin iets van Peters werkwijze die nog maar recent tot de Powerpoint was bekeerd. In het voorwoord van zijn monumentale boek De ontdekking van de Middeleeuwen citeert hij zichzelf uit een brief die hij in die tijd aan het thuisfront schreef: ‘Wat mij het meest geraakt heeft, is dat Oxford geen museum is, waar cultuur veilig is opgeborgen en onschadelijk gemaakt in glazen vitrines, alleen nog maar geschikt om naar te gapen, maar dat hier traditie wordt doorgegeven aan telkens nieuwe generaties en in dat proces ook opnieuw wordt gemaakt.’

Zijn tijd in Oxford en zijn ervaringen met de zogenaamd eeuwenoude tradities van de stad, die al snel een hersenschim, een negentiende-eeuwse inventie bleken, legden de basis voor zijn latere meesterwerk, het al genoemde De ontdekking van de Middeleeuwen. Eric Hobsbawm’s  Invention of Tradition dat in 1984 verscheen, inspireerde hem daarbij. De ontdekking van de Middeleeuwen kreeg dan ook de ondertitel Geschiedenis van een illusie. Gedurende zijn academische leven lag zijn aandacht vooral op de receptie van de Middeleeuwen in het intellectuele en maatschappelijke debat.

Na zijn terugkeer uit Oxford werd hij kerkhistoricus aan de Katholieke Theologische Universiteit van Utrecht, gevolgd door een aanstelling als kerkhistoricus aan de theologische faculteit van de Universiteit Leiden, waar Peter niet alleen over de Middeleeuwen maar ook over de Reformatie doceerde. In die periode ging hij ook regelmatig naar het Midden-Oosten en onderhield hij contacten met de Université Saint-Joseph in Beiroet en de later in Homs vermoorde jezuïet Frans van der Lugt. In 1994 werd hij benoemd tot hoogleraar Middeleeuwse Geschiedenis aan de Radboud Universiteit, toen nog Katholieke Universiteit Nijmegen. Als hoogleraar was Peter gevormd door de tradities en het verleden waar hij onderzoek naar deed en zoals hij ze had beleefd op plaatsen zoals Oxford, Bologna en Rome, bastions van wetenschap en geleerdheid. Hij was wars van bureaucratie, van prestatie-indicatoren en Engelstalige peer-reviewed artikelen. Hij was een begenadigd verteller, een erudiete docent van ongekende kwaliteit, en iemand die heel bewust en veelvuldig het publieke debat opzocht en vond dat je als historicus niet alleen voor die paar vakgenoten mocht schrijven, maar juist een rol moest vervullen in de samenleving als geheel. Die overtuiging en betrokkenheid uitten zich ook in zijn zorgen over het wereldwijd opkomend nationalisme en populisme. Historicus zijn betekende voor hem een levenshouding.

In de herfst van 1998 trad hij uit de orde der jezuïeten. Zijn geloof, zijn liefde voor de rituelen en zijn betrokkenheid bij de Kerk bleven, maar hij kon zich steeds slechter vinden in de ideeën, de dogma’s, van de Kerk over zaken als homoseksualiteit en geboortebeperking, en de teloorgang van de katholieke intellectuele traditie. Ook na zijn emeritaat bleef hij als historicus en katholiek actief als vrijwilliger bij het Catharijneconvent, wat in samenwerking met oud-studenten en oud-collega’s leidde tot fraaie tentoonstellingen. Zijn verbondenheid met de Kerk bleef ook aanwezig in zijn nieuw onderzoek dat zich vooral richtte op negentiende-eeuwse katholieke intellectuelen en waarover hij een studie voorbereidde.

In de brede kring van mediëvisten van uiteenlopende disciplines die de Onderzoekschool Mediëvistiek verenigt, was Peter Raedts een vanzelfsprekende raadgever en inspirator. Door zijn lidmaatschap van het bestuur van de Onderzoekschool Mediëvistiek, en zijn jarenlange voorzitterschap van dat bestuur was hij nauw betrokken bij de activiteiten van de onderzoekschool. Als voorzitter trof hij bij vergaderingen de juiste toon en die prettige combinatie van serieus werken en op het juiste moment een verfrissende anekdote maakten de vergaderingen en zelfs visitaties tot een plezierig samenzijn. Wij konden altijd een beroep op hem voor studiedagen, waarop hij de voorstellen van studenten streng en rechtvaardig bekritiseerde, maar altijd begripvol bleef. Op de borrel klonk dan zijn gulle lach en werd er getoast op de toekomst van het vak en de nieuwe generatie die deze taak had overgenomen.  Peters eruditie, zijn verhalen, zijn charme, maar vooral zijn warme vriendschap zullen we enorm missen.

Namens bestuurders en oud-bestuurders van de Onderzoekschool Mediëvistiek

This website uses cookies.