Logo Universiteit Leiden.

nl en

Wat is navigatie?

Wat is navigatie?

Introductie

Iedere dag doen we het: we vinden onze weg. Naar ons werk of school, of gewoon naar de badkamer. Ook al doen we het veel, de weg vinden, navigeren, is best complex. We gebruiken ons gevoel voor richting, onthouden afslagen en afstanden, en maken in gedachten een plaatje van onze omgeving. Ook zijn er grote verschillen tussen mensen: de een verdwaalt regelmatig in zijn eigen wijk en de ander vindt altijd en overal de weg.

Verdwalen

Voor sommige mensen is navigeren zo moeilijk dat ze vaak verdwalen. Dit komt bij gezonde mensen voor, maar ook bij bepaalde aandoeningen. Zo zien we bijvoorbeeld dat na een hersenbeschadiging (b.v. beroerte, bloeding, traumatisch letsel, > 600.000 patiënten in Nederland) bijna 1 op de 3 patiënten veel moeite heeft het vinden van de weg. Dit heeft een grote impact op het dagelijks leven van deze mensen: ze kunnen niet even zelf de deur uit voor een boodschap of een bezoekje. Bij dementerenden is verdwalen zelfs vaak een van de eerste merkbare klachten.

Zijn mannen beter in kaartlezen?

Mannen en vrouwen gaan verschillend om met ruimtelijke informatie, hierdoor kunnen mannen gemiddeld genomen inderdaad beter kaartlezen, maar vrouwen kunnen weer beter bepalen waar ze zijn doordat ze de omgeving beter onthouden. Mannen letten vooral op de geometrische eigenschappen van een omgeving: hoever gebouwen uit elkaar liggen of hoe scherp een bocht is. Vrouwen letten juist op hoe verschillende herkenningspunten eruit zien en kunnen dus beter bepalen waar ze zijn wanneer ze een herkenningspunt tegenkomen.

Mannen en vrouwen gaan verschillend om met ruimtelijke informatie.

Hoe leren kinderen navigeren?

Jonge kinderen letten vooral op hun eigen positie en onthouden dan waar iets ligt. Dit is bijvoorbeeld onderzocht met een zandbak: verstop een speeltje in het zand en kijk waar de kinderen gaan zoeken. Als je de jonge kinderen verplaatst naar de andere kant van de zandbak, zullen ze eerst aan de verkeerde kant gaan zoeken, omdat ze de positie niet ‘updaten’ aan de hand van hun verplaatsing. Ze zoeken meteen op die plek weer in het zand. Zo rond een jaar of 8 beginnen kinderen te leren om ook naar hun omgeving te kijken en die informatie te gebruiken, los van hun eigen positie op dat moment.

Uit een experiment wat wij bij NEMO hebben uitgevoerd bleek dat kinderen die al vroeg zelfstandig naar school gaan, beter zijn in navigeren. Het helpt dus om te oefenen hoe je zelfstandig ergens naar toe gaat.

Wat gebeurt er als je ouder wordt?

Net zoals kinderen pas later leren om op hun omgeving te letten, is dat iets wat je eerder weer verliest als je ouder wordt. Dit betekent dat vanaf een jaar of 50 mensen minder goed gaan letten op externe informatie, zoals bijvoorbeeld een kerktoren in de verte of een brievenbus op een plein om te bepalen waar ze precies zijn. Wat navigatie betreft kun je je afvragen of het verstandig is om op latere leeftijd te verhuizen naar een plek die je nog niet kent. Het wordt namelijk steeds moeilijker om een plaatje in je hoofd te maken van zo’n omgeving en die heb je nodig om goed je weg te kunnen vinden.

Het is daarom niet gek dat verdwalen een van de eerste klachten is bij dementie: hierdoor veranderen de hersenen en gaan de functies die je gebruikt om de weg te vinden ook sneller achteruit.

Hoe reageert je brein op navigeren?

Taxichauffeurs in Londen zijn heel goed in de weg vinden. Ze moeten namelijk verplicht een kennisexamen afnemen waarin ze laten zien dat ze alle straten in de stad kennen en dus snel kunnen bedenken welke route ze voor een klant het beste kunnen rijden. Het vraagt veel flexibiliteit van hun vermogen een route uit te kiezen. Hierdoor zijn ze ideale proefpersonen. Vergeleken met buschauffeurs (die ook veel rijden, maar altijd dezelfde routes) is hun hippocampus veel groter. De hippocampus is het deel van je hersenen dat we veel gebruiken om de weg te vinden. Als je dus veel leert over routes en locaties, wordt je brein, net als een spier, hier dus veel beter en zelfs groter van. Nieuw onderzoek laat zien dat het gebruik van GPS je brein juist luier maakt; je hoeft zelf minder na te denken.

De hippocampus speelt een belangrijke rol tijdens het navigeren