Logo Universiteit Leiden.

nl en

Onderdelen onderzoek

Het programma bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel heeft betrekking op de invloed van Europa op de sociale zekerheid. Het tweede onderdeel heeft betrekking op stelselwijzigingen in de sociale zekerheid.

De invloed van Europa - en andere delen van de wereld - op het Nederlandse socialezekerheidsstelsel is de afgelopen decennia belangrijk toegenomen en deze trend zal zich naar verwachting voortzetten. Het sociaal beleid krijgt op EU-niveau volop de aandacht. De zogeheten “Lissabon Agenda” (maart 2001) waarin een relatie wordt gelegd tussen stimulering van de kenniseconomie en versterking van de sociale samenhang illustreert dit. Hoewel de inrichting van het stelsel van sociale zekerheid op grond van het subsidiariteitsbeginsel nog steeds een nationale verantwoordelijkheid is, doet de Europese invloed zich steeds meer gelden door middel van juridische randvoorwaarden (richtlijnen) en afspraken in het kader van de opencoördinatiemethode. Daarbij worden gemeenschappelijke doelstellingen bepaald en beleidsafspraken gemaakt. Er is sprake van zelfbinding en leereffecten, maar er zijn geen formele sanctiemogelijkheden. De opencoördinatiemethode werd aanvankelijk alleen toegepast op het werkgelegenheidsbeleid, maar is uitgebreid naar het terrein van de pensioenen, de sociale uitsluiting en de modernisering van de sociale stelsels. De vraag is of thans de optimale dan wel gewenste mate van afstemming van het beleid ten aanzien van de stelsels van sociale zekerheid plaatsvindt, mede gelet op de voortschrijdende economische integratie en toenemende mobiliteit. Treedt er een verdergaande convergentie op van de nationale stelsels in de richting van een Europees sociaal stelsel? Of gaan de ontwikkelingen in de richting van schadelijke vormen van beleidsconcurrentie, waardoor beschermingsniveaus onder druk kunnen komen te staan (een ‘race to the bottom’)?In dit programma wordt de invloed van Europa op de nationale stelsels van sociale zekerheid verder uitgediept. Het programma bevat: 
(1.1) een theoretische analyse van het optimale besluitvormingsniveau ten aanzien van sociale zekerheid; 
(1.2) een empirische analyse van de mate waarin de nationale stelsels van sociale zekerheid en het beleid van de lidstaten convergeren, met een toespitsing op Nederland.

Ad 1.1) Ook op het terrein van de sociale zekerheid moet steeds de vraag worden gesteld: wat kan nationaal worden geregeld en wat kan of moet op Europees niveau worden geregeld?  Ondanks een toenemende invloed van de EU is de inrichting van het stelsel van sociale zekerheid in beginsel nog een nationale verantwoordelijkheid. De vraag is wat de voor- en nadelen zijn van een eventuele verschuiving van deze verantwoordelijkheid naar het supranationale niveau, ofwel van een centralisatie van sociale zekerheid. Een dergelijke centralisatie of harmonisatie zou bijvoorbeeld de vorm aan kunnen nemen van gemeenschappelijke minimumnormen of uiteindelijk zelfs de vorm van een Europees stelsel van sociale zekerheid. Vanuit de economische theorie bezien heeft centralisatie meerwaarde als er op een bepaald terrein sprake is van schaaleffecten of grensoverschrijdende externe effecten. Voor de sociale zekerheid zou een mogelijk negatief extern effect van Europese integratie zijn dat concurrentie tussen overheden (onder meer langs fiscale weg) zou kunnen leiden tot steeds lagere beschermingsniveaus (de eerder genoemde sociale ‘race to the bottom’, ook wel ‘sociale dumping’ genoemd). Ook toenemende migratiestromen zouden de nationale verzorgingsstaten onder druk kunnen zetten (‘sociale zekerheidstoerisme’). Aan een harmonisatie van sociale zekerheid kleven echter ook nadelen. Zo wordt geen recht meer gedaan aan verschillen tussen de lidstaten in preferenties ten aanzien van sociale bescherming. Verder kan gedwongen harmonisatie leiden tot een verstoring van nationale dan wel regionale arbeidsmarkten. Denkbaar is overigens dat het optimale besluitvormingsniveau verschilt per sociale functie (het ‘social federalism’ concept). Zo ligt een supranationale aanpak meer voor de hand als het gaat om pensioenen dan als het gaat om bijstandsuitkeringen. Maar welke vorm kan Europese bemoeienis met pensioenen het beste aannemen? En wat zijn de pro’s en contra’s van eerdere voorstellen voor een Europese kinderbijslag of een Europees systeem van werkloosheidsuitkeringen?

Aanpak
Ten behoeve van de eerste deelvraag zal een theoretische analyse van voor- en nadelen van sociale harmonisatie en daarmee van het ‘optimale’ besluitvormingsniveau ten aanzien van het stelsel van sociale zekerheid worden uitgevoerd. Vervolgens kan worden geanalyseerd in hoeverre de genoemde negatieve externe effecten van het Europese integratieproces, zoals schadelijke beleidsconcurrentie en socialezekerheidstoerisme, zich daadwerkelijk voordoen, respectievelijk wat de effecten zouden zijn van (gedwongen) harmonisatie. Het onderzoek heeft een economisch theoretisch karakter. Er zal een analyse plaatsvinden van de relevante bestaande literatuur, waarop zal worden voortgeborduurd (zie Goudswaard en Van Riel, 2004), terwijl de analyse ook zal worden verbijzonderd naar sociale functie (mede op basis van de literatuur over fiscal federalism). Deze theoretische analyse zal een basis kunnen vormen voor de empirische analyse van de ontwikkeling van de sociale stelsels in de lidstaten en van het Europese coördinatiebeleid.De omvang van dit deelonderzoek zal relatief beperkt zijn, dat wil zeggen dat er naar verwachting geen zelfstandig promotieonderzoek op dit terrein zal plaatsvinden. Gedacht wordt aan een postdoconderzoek en/of onderzoek door één of meer van de projectleiders uitmondend in onderzoeksrapporten en artikelen op basis daarvan. 

Ad 1.2) Volgens een aanbeveling van de Europese Raad dienen de lidstaten van de EU te streven naar convergentie van hun stelsels van sociale zekerheid. Convergentie zou het vrije verkeer bevorderen en de algemene verhoging van het niveau van de levensstandaard dienen. Veelal wordt gesteld dat de stelsels van sociale zekerheid in de EU als gevolg van de economische integratie min of meer spontaan naar elkaar toegroeien. In dat geval is een expliciet convergentiebeleid minder noodzakelijk en ligt gedwongen harmonisatie van het sociaal beleid (zie 1.1) niet in de rede. Ons onderzoek richt zich op de vraag of de stelsels van sociale zekerheid in de lidstaten daadwerkelijk naar elkaar toegroeien, respectievelijk in welke richting de ontwikkelingen gaan. Zijn er tekenen dat sprake is van een ‘social race to the bottom’, ook wel sociale dumping genoemd, of is er sprake van convergentie waarbij de beschermingsniveaus in nieuwe lidstaten met relatief minder sociale zekerheid worden opgetrokken in de richting van de niveaus van de oude lidstaten? Het onderzoek richt zich op economische en juridische facetten van sociale convergentie en sociaal beleid. Voor wat betreft de convergentie in economische zin kan onderzocht worden of verschillen in diverse indicatoren van sociale zekerheid, zoals uitgaven aan socialezekerheidsregelingen, vervangingsratio’s en minimumuitkeringen, kleiner worden. Daarbij zal waar mogelijk ook geanalyseerd worden wat de oorzaken zijn van de ontwikkelingen in de verschillende lidstaten. Tevens kan de convergentie in beleid ten aanzien van de stelsels van sociale zekerheid worden onderzocht. Gaan hervormingsstrategieën in de lidstaten dezelfde richting op? Is er een ontwikkeling gaande in de richting van een Europees model van sociale zekerheid, of blijft de diversiteit groot? In dit verband zijn de ontwikkelingen in het Europese sociale beleid van belang en met name de hiervoor genoemde toepassing van de methode van open coördinatie, de laatste jaren ook op het terrein van pensioenen en sociale cohesie. Onderzocht wordt wat de betekenis en effectiviteit van deze methode is, met daarbij speciale aandacht voor Nederland. In welke mate voldoet Nederland aan de gestelde doelen en wordt het beleid daadwerkelijk beïnvloed door de afspraken op EU-niveau? Het juridische onderzoek naar sociale convergentie haakt aan op het debat over de betekenis van ‘soft law’ bij de opbouw van het sociale Europa. Daarbij wordt in toenemende mate beseft dat de effectiviteit van de zogeheten ‘hard law’ van de traditionele Communautaire methode van harmonisatie niet onomstreden is en dat de ‘soft law’ van de open coördinatie ook voordelen biedt, omdat hiermee terreinen kunnen worden bestreken waarbij de lidstaten huiverig zijn om nationale beleidsvrijheid af te staan. Daarbij heeft de open coördinatiemethode allerlei nieuwe vormen van samenwerking tussen de lidstaten op gang gebracht. De economische en monetaire integratie vormt daarbij een belangrijk drukmiddel om de ‘soft law’ kracht bij te zetten ook zonder dat sprake is van formele sancties in de traditionele zin. Doelstelling van het juridische onderzoek zal derhalve zijn het beschrijven en analyseren van deze nieuwe instrumenten en hun plaats in het juridische kader, alsmede het analyseren van hun effectiviteit in relatie tot traditionele instrumenten. 

Aanpak
Het onderzoek naar sociale convergentie heeft vooral een empirisch karakter. Voortbordurend op Cornelisse en Goudswaard (2002) zal een internationale vergelijking worden gemaakt van relevante indicatoren van sociale zekerheid, waaronder uitgaven aan socialezekerheidsregelingen, financieringswijze, de hoogte van de vervangingsratio’s en van de minimumuitkeringen e.d. (onder meer de recente publicatie OECD Social Indicators geeft goede aanknopingspunten). Op de diverse indicatoren wordt een variantieanalyse uitgevoerd. Tevens zal onderzocht worden of verbanden kunnen worden vastgesteld tussen convergentieontwikkelingen en het Europese integratieproces. Voorts zullen de hoofdlijnen van de beleidsstrategieën in de diverse lidstaten in kaart worden gebracht en zal worden getracht om de verschillen daarin te analyseren, tegen de achtergrond van de institutionele en economische omstandigheden in de diverse lidstaten, met in het bijzonder aandacht voor het Nederlandse stelsel en het Nederlandse beleid in internationaal perspectief. Vervolgens zullen de ontwikkelingen in het Europees sociaal beleid worden onderzocht. In navolging van Visser, die de toegevoegde waarde van het Europese werkgelegenheidsbeleid heeft onderzocht, wordt geanalyseerd wat de gevolgen van de methode van open coördinatie op het terrein van de pensioenen en de sociale cohesie voor het Nederlandse beleid zijn geweest. In hoeverre sluiten de Nederlandse actieplannen op dit terrein aan bij de Europese afspraken en hoe kunnen de scores op de afgesproken sociale indicatoren worden beoordeeld? Het werk van Atkinson en Cantillon biedt hier belangrijke aanknopingspunten. Vervolgens worden aanbevelingen gedaan over de verdere ontwikkeling van het Europees sociaal beleid, mede tegen de achtergrond van de bevindingen van het onderzoek onder 1.1.Wat betreft het onderzoek naar de juridische convergentie wordt in de eerste plaats aandacht besteed aan het in de literatuur ontwikkelde debat over de vraag naar de waarde van soft law en de ontwikkeling van deze vorm van implementatie van beleid. Deze discussie wordt internationaal reeds volop gevoerd, maar heeft in Nederland nog weinig aandacht in de juridische wetenschappelijke literatuur. Daarnaast wordt bezien op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het systeem van open coördinatie. Daarbij wordt uitgegaan van de wijze waarop Nederland dit doet. Vervolgens kunnen enkele landen hiermee worden vergeleken die op dit gebied een kenmerkende eigen praktijk hebben. Hierbij kunnen ook verschillende beleidsterreinen worden vergeleken. Zo is de beleidscoördinatie op het vlak van economisch beleid verdergaand dan op het sociale vlak. Bezien zou kunnen worden in hoeverre in de toekomst nadere concretisering van de open coördinatiemethode en verdere verfijning van het handhavingsinstrumentarium kan worden vorm gegeven. Van belang is hierbij welke verschillende instrumenten de verschillende lidstaten hierbij hanteren en hoe sterk de juridische kracht van die instrumenten is. Gaat het hierbij slechts om beleidsnota’s of wordt het beleid ook omgezet in wetgeving? Hoe afdwingbaar zijn de maatregelen voor de burger? In hoeverre leidt het uitvoeren van de richtsnoeren van het systeem van open coördinatie tot structurele wijzigingen in de wetgeving en in hoeverre sluiten de verschillende lidstaten hierbij op elkaar aan? Voor dit deel zal een beperkt aantal lidstaten worden geselecteerd om een grondig onderzoek te kunnen doen. Om deze lidstaten te kunnen selecteren zal eerst worden onderzocht welke lidstaten hierbij de meest interessante ontwikkelingen doormaken. We denken voor dit onderzoek twee promovendi in te zetten, één met een economische en/of een sociaal-wetenschappelijke achtergrond en één met een sociaal-juridische achtergrond. Tevens kan een postdoc worden ingezet (in combinatie met 1.1).

In de afgelopen jaren zijn in Nederland al belangrijke wijzigingen aangebracht in het stelsel van sociale zekerheid, met het oog op de noodzakelijk geachte modernisering van het stelsel en om het beroep op het stelsel te beperken en de activerende werking te bevorderen. Voor 2006 staan weer ingrijpende veranderingen op stapel. Deze ingrepen kunnen gevolgen hebben voor de sociale cohesie binnen de samenleving. Door de wijzigingen in het stelsel van sociale zekerheid is overigens niet alleen maar sprake van minder solidariteit en sociale cohesie. Er ontstaan nieuwe vormen van sociale cohesie, maar niet voor alle groepen in dezelfde mate. Het is belangrijk om de effecten van eerdere stelselwijzigingen goed in kaart te brengen, mede met het oog op verdere veranderingen die worden voorzien.Het stelsel van sociale zekerheid zal de komende jaren sterk worden beïnvloed door een aantal maatschappelijke en economische trends, waaronder de vergrijzing, de internationalisering en een toenemende heterogeniteit van de samenleving. Deze laatste ontwikkeling doet de behoefte ontstaan aan meer op individuen toegesneden arrangementen. Ook de grondslagen van het stelsel staan in toenemende mate ter discussie. De klassieke opvatting over sociale risico’s komt langs twee lijnen onder druk. Enerzijds worden arbeidsongeschiktheid, ziekte en werkloosheid niet meer onvoorwaardelijk als onbeïnvloedbare externe risico’s beschouwd die iemand overkomen zonder daar iets aan te kunnen doen. Anderzijds groeit de behoefte om binnen het stelsel ook rekening te houden met beïnvloedbare risico’s als loonderving wegens zorgtaken en studieverlof. Dit noopt tot een nieuwe oriëntering op de vraag welke risico’s wettelijk verplicht voor iedereen verzekerd moeten zijn en welke collectief of individueel aanvullend kunnen worden geregeld. Ofwel, de vraag naar de verantwoordelijkheidsverdeling in een modern stelsel van sociale zekerheid. In dat verband wordt ook wel gesteld dat een modern stelsel van sociale zekerheid minder de nadruk moet leggen op collectieve nazorg en meer op individuele voorzorg, door middel van het investeren in het eigen menselijk kapitaal.Deze stelseldiscussie hangt nauw samen met het thema “levensloop”, dat te laatste jaren sterk in de aandacht is gekomen in het maatschappelijke en politiek debat. De levensloopbenadering heeft in de kern betrekking op de verdeling van arbeid en andere activiteiten zoals zorg, scholing en vrije tijd over het leven. Waar vroeger sprake was van een min of meer standaardlevensloop is thans sprake van een veel grotere diversiteit in levenslopen. Tegelijkertijd is van diverse zijden geconstateerd dat sociale en fiscale regelgeving en instituties soms nog belemmeringen opwerpen ten aanzien van combinaties van activiteiten (zoals arbeid en zorg of scholing) en transities tussen activiteiten, waardoor de keuzemogelijkheden ten aanzien van de invulling van de levensloop worden beperkt. De nieuwe levensloopregeling beoogt op dit punt verbetering te brengen. In dit programma worden zowel de gevolgen van reeds doorgevoerde hervormingen als van voorstellen voor verdere modernisering geanalyseerd. Het programma bevat:
(2.1) een analyse van de effecten van veranderingen in het stelsel van sociale zekerheid op de sociale cohesie en in het bijzonder op de inkomensverdeling;
(2.2) een analyse van veranderingen in verantwoordelijkheden en risico’s in de sociale zekerheid.

Ad 2.1) Omvangrijke wijzigingen in het stelsel van sociale zekerheid kunnen gevolgen hebben voor verschillende sociaal-economische groepen en daarmee voor de sociale cohesie in Nederland. Het begrip sociale cohesie is echter veelomvattend. In dit deelprogramma wordt vooral aandacht besteed aan een specifiek aspect van sociale cohesie, te weten het inkomensaspect. Onderzocht wordt wat de inkomensgevolgen zijn van recente en stelselwijzigingen, waaronder ook de gevolgen van aanstaande veranderingen in de arbeidsongeschiktheids-, werkloosheids- en (pre-)pensioenregelingen. Het gaat om de veranderingen van de inkomensverdeling over personen, huishoudens en sociale groepen. Een dergelijke partiële analyse is echter onvolledig. De inkomensgevolgen van stelselwijzigingen kunnen niet los worden gezien van de inkomensgevolgen van andere maatschappelijke ontwikkelingen, als het gaat om een beoordeling van veranderingen in de sociale cohesie. Als de AOW wordt gefiscaliseerd heeft dit negatieve inkomenseffecten voor de groep ouderen, maar kan de solidariteit tussen oudere en jongere generaties worden versterkt en is het stelsel beter bestand tegen de vergrijzing. Voorts kunnen veranderingen in socialezekerheidsregelingen leiden tot compenserende ontwikkelingen. Zo zijn in het afgelopen decennium de publieke arbeidsongeschiktheidsregelingen fors versoberd, maar dat heeft geleid tot compensaties in de bovenwettelijke en private sfeer. Aldus benaderd kunnen veranderingen in het stelsel van sociale zekerheid leiden tot nieuwe vormen van sociale cohesie. Dit deelproject bevat ook een internationale component. Voor een groot aantal landen zou kunnen worden geanalyseerd wat de veranderingen in de inkomensverdeling zijn en wat de invloed van wijzigingen in sociale regelingen op die inkomensverdeling zijn. Zo blijkt uit eerder onderzoek (Caminada en Goudswaard, 2001) dat er enige samenhang bestaat tussen de stijging van de inkomensongelijkheid in diverse landen met de veranderingen in de sociale zekerheid tot midden jaren ‘90. Vooral de dalende uitkeringshoogte bleek een relevante factor te zijn, met name in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Een dergelijke analyse zou kunnen worden verfijnd met recent beschikbaar gekomen cijfermateriaal uit het compendium van sociale indicatoren van de OECD van data van de Luxembourg Income Study.De juridische leden van de onderzoeksgroep kunnen aan dit deel van het onderzoek hun expertise bijdragen voor zover het gaat om de juridische aspecten van de materie, zoals de analyse van de vormgeving van de verschillende instrumenten: inkomensbescherming door toeslagen, fiscale maatregelen, cao-afspraken, e.d.

Aanpak
Het onderzoek naar de inkomensgevolgen van stelselwijzigingen heeft een empirisch karakter. De analyse van de inkomensgevolgen van hervormingen in Nederland wordt met behulp van de methode van microsimulatie in kaart gebracht. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een omvangrijk databestand: het CBS Inkomenspanel. Dit empirisch onderzoek voor Nederland borduurt voort op eerder werk van Caminada en Goudswaard (o.a. 2003). Ook de inkomensgevolgen van mogelijke toekomstige hervormingen kunnen met behulp van simulatie in kaart worden gebracht. Voor wat betreft het bredere perspectief op de sociale cohesie zal op onderdelen aansluiting worden gezocht op het werk van het Sociaal Cultureel Planbureau op dit terrein. Ten behoeve van de internationale vergelijking zal onder meer gebruik worden gemaakt van data uit het compendium van sociale indicatoren van de OECD en van data van de Luxembourg Income Study. Dat vereist allereerst dataverzameling . Het verzamelen en gebruik van data uit secondaire bron (secondary data sets) lijkt hier afdoende, maar het biedt meerwaarde om een (postdoc) onderzoeker tijdelijk onsite in Luxemburg met de LIS-bestanden aan de slag te laten gaan. Op basis van eenvoudige statische analyses kunnen internationale trends én landenspecifieke afwijkingen in kaart worden gebracht en geanalyseerd (synergie met deelproject 1.2)). In lijn met onderzoek van Caminada en Goudswaard (2001 en 2005) zal een internationale vergelijking worden gemaakt van relevante indicatoren van publieke en private sociale zekerheid en van relevante elementen van de inkomensverdeling. Om overzicht te krijgen van de relevante variabelen die de ontwikkeling van de inkomensverdeling en veranderingen in sociale stelsels kunnen duiden, kunnen vervolgens zowel regressieanalyses als multivariatie-analyses worden uitgevoerd. Immers, vele factoren zijn van invloed (zoals ‘poverty reduction’, ‘income inequality’), maar het is ook van belang om te bepalen wat de invloed van elk van de afzonderlijke factoren is. We denken voor dit onderzoek een ervaren postdoc in te zetten met een economische of econometrische achtergrond (eventueel kan het onderzoek gecombineerd worden met onderdelen van 1.2). Ook door de projectleider(s) zal substantieel worden geparticipeerd.

Ad 2.2) Het is aannemelijk dat de veranderende maatschappelijke omgeving zal leiden tot (verdere) veranderingen in aard en omvang van sociale risico’s en in de verantwoordelijkheidsverdeling in de sociale zekerheid. In ons onderzoek willen we nagaan of de veranderende maatschappelijke omgeving noopt tot een herbezinning op de vraag welke risico’s wettelijk verplicht voor iedereen verzekerd moeten zijn en welke collectief of individueel aanvullend kunnen worden geregeld. Verschillende studies naar de toekomst van de sociale zekerheid gaan daarbij uit van een verantwoordelijkheidsverdeling langs de lijnen van een driepijlermodel (zoals thans al bij de pensioenen het geval is). De eerste pijler biedt een basisdekking, waarvoor de overheid verantwoordelijk is, de tweede pijler bevat collectieve regelingen binnen bedrijven of sectoren met individuele aanspraken en de derde pijler individuele arrangementen. Redenerend binnen een driepijlermodel gaat het onderzoek om de vragen: hoe moeten de verhoudingen tussen de drie pijlers worden bepaald, welke risico’s moeten worden gedekt in de diverse pijlers en hoe moeten de verschillende pijlers worden gefinancierd? Ook de aard van de diverse arrangementen komt aan de orde. Zo is van verschillende zijden voorgesteld om meer spaarelementen in het sociale zekerheidsstelsel te brengen. Voor welke risico’s is dit mogelijk en wat zijn de consequenties, ook in termen van solidariteit? In het kader van dit deelprogramma zal in het bijzonder ingegaan worden op de levensloopregeling, als interessante vernieuwing in het stelsel. De levensloopregeling is ingevoerd om langere perioden van (onbetaald) verlof te kunnen overbruggen en geeft aldus de nieuwe sociale risico’s een plaats in het stelsel. Achterliggende gedachte is om te komen tot betere combinatiemogelijkheden van arbeid, zorg en scholing en een betere spreiding van deze activiteiten en van het inkomen over de tijd. In samenhang met het Utrechtse onderzoeksprogramma op dit terrein en in samenwerking met Netspar zal het Leidse onderzoek over levensloop vooral gericht worden op de verantwoordelijkheidsverdeling, de relatie tussen de levensloopregeling en andere socialezekerheidsregelingen en de (verdelings-) effecten van de regeling. Moet de regeling collectief of individueel zijn? Welke vorm moet de overheidsondersteuning aannemen (effecten van de omkeerregel)? Wie profiteren van de regeling en wat zijn de effecten op de inkomensverdeling? Wat is de doorwerking naar de pensioenen? In dit verband kan ook worden onderzocht of de levensloopregeling aanknopingspunten biedt voor een verdere hervorming van het stelsel van sociale zekerheid. Van belang is voorts wat de plaats is van de levensloopregeling in het arbeids- en socialezekerheids­recht. Hoe zijn de socialezekerheidsrechten geregeld tijdens verlof? Hoe kunnen de wettelijke verlofrechten, thans geregeld in de Wet arbeid en zorg, worden beoordeeld in het licht van de levensloopbenadering? Ten slotte kan een internationale vergelijking worden gemaakt. De belangstelling voor levensloop­­regelingen is ook buiten Nederland groeiende. Het is van belang om op dit terrein de (juridische) vormgeving en economische effecten van regelingen op dit terrein in andere lidstaten te inventariseren en te vergelijken.

Aanpak
In dit deelonderzoek worden de gevolgen van de verschillende maatschappelijke trends voor het stelsel van sociale zekerheid verkend. Vervolgens zal een theoretische analyse worden uitgevoerd naar de wijze waarop de nieuwe sociale risico’s kunnen worden gedekt. Daarbij wordt onderzocht in hoeverre de bekende afwegingen in de sociale zekerheid aan de orde zijn, zoals tussen gelijkheid en doelmatigheid, solidariteit en moreel gevaar. Het herverdelingsmotief kan in een levensloopbenadering een andere inhoud krijgen (herverdeling op basis van levensloopinkomen). De studie van het Centraal Planbureau naar de toekomst van de welvaartsstaat kan hier belangrijke aanknopingspunten bieden. Vervolgens kunnen de voorstellen van Leijnse, Goudswaard, Plantenga en Van den Toren (2002) voor een nieuwe benadering van sociale zekerheid in het kader van een driepijlerstructuur verder worden uitgewerkt.
Wat betreft de levensloopregeling zal ook empirisch onderzoek worden verricht. Daarbij gaat het onder meer om de analyse van het profijt van de regeling. In dat verband zal de onder 2.1) beschreven onderzoeksmethodologie (microsimulatie) worden gehanteerd. Ten slotte zal, in samenwerking met De Beer, voor een aantal relevante landen een vergelijking worden gemaakt van de wijze waarop de nieuwe risico’s en levensloop een plaats krijgen in het stelsel van sociale zekerheid.
Juridisch zal worden geanalyseerd op welke wijze de levensloopregelingen een plaats dienen te krijgen in het arbeids- en sociale zekerheidsrecht. Thans zijn reeds diverse verlofregelingen geregeld in de Wet arbeid en zorg, welke wet zowel elementen van arbeidsrecht als van socialezekerheidsrecht kent. Van een samenhangende regeling betreffende de gehele levensloop is echter nog geen sprake. Het gaat hierbij verder om het analyseren van de effecten van de nieuwe wetgeving op de verhouding tussen werkgevers en werknemers en de juridische problemen die de nieuwe levensloopregeling op dit gebied zal opleveren. Daarbij valt ook te denken aan de effecten op het gebied van scholingsfaciliteiten voor werknemers, vervangingsregelingen, wijziging van het arbeidscontract als gevolg van veranderingen in de onderneming tijdens het verlof. Onderzocht zal worden welke oplossingen in andere relevante landen hiervoor zijn getroffen en aan welke voorwaarden een samenhangende regeling van de levensloopproblematiek dient te voldoen. Daartoe wordt een beperkt aantal landen geselecteerd, teneinde voldoende diepgang te kunnen bereiken, naast de overzichten van de EG die reeds een globale vergelijking mogelijk maken. Hierbij komt ook de verhouding tussen enerzijds wetgeving en anderzijds regelgeving door cao-partijen en binnen ondernemingen aan de orde. Het door de afdeling sociaal recht in samenwerking met de Universiteit van Hagen (Duitsland) opgerichte European Labour Law Network kan voor het verkrijgen van de noodzakelijke contacten met en informatie uit andere landen worden ingezet.Voor dit onderzoek willen we een promovendus en/of een postdoc met economische achtergrond inzetten en voor wat betreft de juridische aspecten van de levensloopregeling, een promovendus met een sociaal-juridische achtergrond.

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.