Logo Universiteit Leiden.

nl en

Video

Hier vindt u video-opnames van oude lezingen.

In deze tijden van coronamaatregelen willen wij van Studium Generale graag een digitale brug slaan tussen de universiteit en de maatschappij. In het verleden zijn veel van onze lezingen opgenomen. De komende periode willen wij enkele hoogtepunten van de laatste jaren druppelsgewijs beschikbaar gaan stellen op deze website. Hierdoor kunt u vanuit het comfort van uw eigen huis kijken en luisteren naar interessante en inhoudelijke verhalen. De opnames bevatten zowel het beeld van de PowerPointpresentatie als een beeld van de sprekers. Het gaat hier niet om professionele video-opnames dus de beeld- en geluidskwaliteit laat af en toe aan de wensen over. Maar uiteraard gaat het om de inhoud. We wensen u veel kijk- en luisterplezier!

In these times of corona measures, the team of Studium Generale would like to build a digital bridge between the university and society. In the past, many of our lectures were recorded. In the coming period, we will put some of the highlights of recent years on this website. That way, you will have the opportunity to comfortably watch and listen to interesting, substantive lectures from the comfort of your own home. The recordings combine screenings of the lecturer and the PowerPoint presentation. As the recordings were not professionally made, the picture and sound quality sometimes leaves a little to be desired. However, naturally it is the content that counts. We wish you lots of viewing and listening pleasure!

Lezing: Groter dan de Republiek? Simon Stevin en de Lage Landen
Spreker: prof. dr. ir. Fokko Jan Dijksterhuis
Datum: 24-09-2012

Introductie:
Simon Stevin (1548-1620) is in Nederland vooral vermaard als vestingbouwkundige en bouwer van de zeilwagen, maar ook op het gebied van de wis- en natuurkunde en de taalkunde verrichte hij baanbrekend werk. Zijn onderricht in deze wetenschappen ontving hij aan de Universiteit Leiden, waarna hij leermeester werd van Prins Maurits. Stevin onderwees de Prins van Oranje in de wiskunde en al haar toepassingen, zoals de mechanica, optica en astronomie. Zijn privélessen legt hij vast in het omvangrijke Wisconstighe Ghedachtenissen (1605-1608). Hij schrijft over statica, mechanica, astronomie en bedenkt een nautische techniek om schepen op vaste koers te houden. Zijn grootste uitvinding blinkt uit in eenvoud: het tiendelige (decimale) stelsel. Dit stelsel werkt hij uit in een kort traktaat getiteld: ‘De thiende, leerende door onghehoorde lichticheyt allen rekeningen afveerdighen door heele gethalen sonder ghebrokenen’ (1585).

Stevin ontpopt zich ook tot stamvader van het wetenschappelijk en technische Nederlands. ‘De Beghinselen der Weeghconst’ (1568), zijn werk over de statica, vangt aan met een lofzang op onze ‘Duytsche tael’. De taal van de Lage Landen zou als denkuitrusting op eenzame hoogte staan qua volmaaktheid, ver boven Grieks, Latijn en alle andere wereldtalen. Zodoende introduceert Stevin een Nederlands wiskundejargon, waarvan wij tegenwoordig nog steeds woorden kennen, zoals ‘delen’, ‘wortel’ en ‘meetkunde’, maar ook ‘evenaar’, ‘loodrecht’ en ‘raaklijn’. Zo vervangt hij veel leenwoorden: ‘praxis’ wordt ‘daet’; ‘problema’ wordt ‘werkstuck’; en ‘politicè’ wordt ‘burgherlick’. Alhoewel veel vertaalslagen niet zijn blijven hangen, is Stevins herindeling van de wetenschappelijke rangen dat wel. ‘Mathematica’ heet nu ‘wiskunde’; ‘chemie’ staat ook wel te boek als ‘scheikunde’; ‘astronomie’ wordt ‘sterrenkunde’; ‘filosofie’, koningin onder de wetenschappen, gaat ‘wijsbegeerte’ heten. 

Veel kijk- en luisterplezier met het college van professor Fokko Jan Dijksterhuis.

Klik hier

Lezing: Christiaan Huygens: een vernuftig geleerde
Spreker: Hoofd Collecties & vicedirecteur van Rijksmuseum Boerhaave, Drs. Hans Hooijmaijers
Datum: 01-10-2012

Newton prijst hem als ‘de begaafdste wiskundige’ van zijn tijd, Descartes schrijft na hun eerste ontmoeting: ‘Ik kon niet geloven dat één enkele geest zich met zovele onderwerpen kon bezighouden en in elk ervan zo geverseerd kon zijn’ en zijn eigen vader, diplomaat en dichter Constantijn Huygens (1596-1687), koosnaamt zijn kind ‘mijn Archimedes’. Het gaat hier natuurlijk om niemand minder dan het Haagse genie: Christiaan Huygens (1629-1695).

Op zestienjarige leeftijd schrijft Huygens zich in aan de Universiteit Leiden voor de studies Rechtsgeleerdheid en Wiskunde. Maar hij blijkt geen sterstudent. Telkens bedelt hij om geld bij zijn ouders en spendeert bijna al zijn tijd aan pasteltekenen. Pas na zijn studie toont hij zich een begaafde natuurvorser. Eerst werkt Huygens aan een reeks wiskundige traktaten uit, waaronder ‘Vondsten over de grootte van de cirkel’ (1654) en ‘Van Rekeningh in Spelen van Geluck’ (1660); het eerste Nederlandse werk over de beginselen van de kansberekening. Later verschijnen er ook geschriften met een natuurkundig oogmerk, zoals ‘Verhandeling over licht’ (1690), ‘Betoog over de oorzaak van zwaarte’ (1669) en zijn beroemdste publicatie ‘Het slingeruurwerk’ (1673). In de laatste maakt hij, door toevoeging van een slinger, van een onnauwkeurig instrument een nauwkeurig meetinstrument. Een primitieve, mechanische klok wijkt per dag vijf à vijftien minuten af, terwijl Huygens’ slingeruurwerk per etmaal slechts een paar seconde afwijkt. 

Huygens grootste ontdekking maakt hij op een vreemde manier wereldkundig. In 1656 laat hij het volgende anagram: ‘Aaaaaaa Ccccc D Eeeee G H Iiiiiii Llll Mm Nnnnnnnn Oooo Pp Q Rr S Ttttt Uuuuu’ afdrukken in een pamflet. Pas drie jaar later geeft hij de oplossing van het raadsel in zijn boek ‘Systema Saturnium’. Plaats je de letters in de juiste volgorde dan staat er: ‘Annulo cingitur tenui, plano. Nusquem cohaerente, ad eclipticam inclinato’, oftewel ‘Hij wordt omgeven door een dunne, platte ring, die [de planeet] nergens raakt, en die geheld is ten opzichte van de ecliptica.’ Hiermee is Huygens de eerste die de vreemde ‘hengsels’ aan weerszijden van Saturnus herkent als platte ring die de planeet omvaamt. Ook ontdekt een maan van Saturnus die later de naam ‘Titan’ krijgt. In de tentoonstelling ‘Kosmos: kunst & kennis’ in Rijksmuseum Boerhaave was een originele tekening van de Saturnusring van Huygens’ hand te bezichtigen. Overigens kunt u een virtuele rondleiding krijgen door de tentoonstelling.

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Drs. Hans Hooijmaijers.

Klik hier

Lezing: Wittgensteins taalspelen
Spreker: Prof. dr. Martin Stokhof
Datum: 03-04-2013

Ludwig Josef Johann Wittgenstein (1889-1951) werd in Wenen geboren als jongste zoon van een van de machtigste staalmagnaten van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie. In Berlijn en later in Manchester wordt de jonge Ludwig opgeleid als ingenieur met een specialisatie in luchtvaartkunde. Tijdens zijn studie in Manchester komt hij in contact met het boek Principia Mathematica (1903) van Bertrand Russell en Alfred North Whitehead en verschuift zijn aandacht geleidelijk naar de wiskunde en vooral de logische grondslagen ervan. Hij vertrekt naar Cambridge om bij Russell in de leer te gaan. Uiteindelijk promoveert hij in 1929 op de cryptische, aforistische verhandeling Tractatus Logico-philosophicus (1921), waarin hij pretendeert voorgoed af te rekenen met het filosofische probleem omtrent de waarheid van uitspraken. Proposities zijn een afbeelding of model van de werkelijkheid. In de jaren na de publicatie en promotie neemt hij afstand van zijn conclusies uit de Tractatus. De taal zou geen logische grondstructuur hebben en woorden zouden niet verwijzen naar vaststaande zaken in de werkelijkheid. Veeleer lijken woorden betekenis te krijgen binnen een gebruikscontext.

In de bekendste paragraaf in het postuum uitgegeven Philosophische Untersuchungen (1953) introduceert Wittgenstein het begrip ‘taalspel’. Allereerst betoogt hij dat het onmogelijk is om een sluitende definitie te geven van een woord. Hij illustreert dit met het woord ‘spel’: “Kijk bij voorbeeld eens naar de activiteiten die we ‘spelen’ noemen. Ik bedoel bordspelen, kaartspelen, balspelen, Olympische Spelen, enzovoort. Wat hebben deze allemaal gemeenschappelijk?” Wittgenstein vraagt de lezer om te kijken of het lukt om al deze activiteiten onder één noemer te brengen. Ook hijzelf neemt de proef op de som. Als eerste gemene deler van alle activiteiten die wij aanduiden met het woord ‘spel’ neemt hij het woord ‘rivaliteit’. Dit lijkt op het eerste oog een geschikte kanshebber: in veel bord- en kaartspelen is er sprake van rivaliteit. Maar bijvoorbeeld niet bij het kaartspel patience. Ook ‘winst of verlies’ lijkt een goede kandidaat. Veel bord- en balspelen draaien immers om winnen. Maar als een kind een bal tegen de muur gooit en weer opvangt, kun je moeilijk spreken van winst of verlies. Neem tot slot ‘vermaak’ als gemene deler. Bij veel bordspelen speelt vermaak een centrale rol. Toch is het niet noodzakelijk om je te vermaken, en bij recordpogingen op de Olympische Spelen kun je betwijfelen of vermaak tijdens de sportprestatie überhaupt een rol speelt. Wanneer je alle gelijkenissen en verschillen van activiteiten die wij aanduiden met het woord ‘spel’ naast elkaar legt, kom je al snel tot de conclusie dat er geen essentiële eigenschap is die zij allemaal delen. Wittgenstein illustreert de betekenisschakeringen van een woord met het voorbeeld van een touw. Een touw ontleent zijn kracht niet aan een rode draad die alle vezels samenbindt. De kracht van een touw zit in de manier waarop de afzonderlijke draden zijn vervlochten. Sommige draden raken elkaar nauwelijks terwijl andere innig zijn verstrengeld. De betekenis van een woord is een weefsel van haar hele gebruiksspectrum.

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Martin Stokhof.

Klik hier

Lezing: Van brein tot b(r)abbel - Taalverwerking in de hersenen
Spreker: Prof. dr. Niels Schiller
Datum: 25-04-2016

Morgen is het exact 159 jaar geleden dat de Franse arts Paul Pierre Broca (1824-1880) tijdens een bijeenkomst van de Société d’Anthropologie de schedel licht van een pas overleden patiënt. Deze patiënt had een aantal jaren eerder zijn spraakvermogen verloren. Via de autopsie toont Broca aan dat de spraakstoornis (afasie) het gevolg was van een hersenletsel. Door een hersenbloeding was er letsel ontstaan in de derde winding van de frontaalkwab in de linker hersenhelft. In de jaren daarop corroboreert Broca met zo’n twintig nieuwe gevallen zijn eerdere bevinding. Daarbij krijgt hij de nodige kritiek te verwerken. Ons klinkt het inmiddels vertrouwd in de oren om psychische vermogens te herleiden tot afgebakende hersengebieden. Maar in Broca’s tijd was het revolutionair om zoiets eminents als het menselijke spraakvermogen in het brein te lokaliseren.

In Discours de la methode (Verhandeling over de methode, 1637) beweert René Descartes dat het onderscheid tussen dier en mens tot uitdrukking komt in het taalvermogen van de laatste. Hoewel sommige diersoorten (bijvoorbeeld papegaaien) in staat zijn om woorden te produceren, ontberen zij de verstandelijke vermogens om deze op een betekenisvolle manier aan te wenden als uitdrukking van een gedachte. Op basis van deze proto-Turingtest beweert Descartes dat de mens, in tegenstelling tot andere levende wezens, naast een lichaam ook over een geest (res cogitans) beschikt. Deze immateriële substantie ligt ten grondslag aan onze taal- en denkvermogens en communiceert via de sensus communis (de pijnappelklier) met het lichaam. Deze gedachte blijkt tot ver in de negentiende eeuw invloedrijk. Ook Broca krijgt het aan de stok met conservatieve cartesianen die weigeren om hogere mentale functies te verbinden aan hersengebieden.

Tegenwoordig staat het hersengebied dat de Franse vader van de neurologie aanwijst in de autopsie bekend als het ‘centrum van Broca’. Dit gebied wordt ook wel het motorisch spraakcentrum genoemd of ‘gyrus frontalis inferior’ in medisch vakjargon. Inmiddels blijkt dat een beschadiging van dit centrum (afasie van Broca geheten) niet zozeer het taalbegrip aantast maar het vermogen om je uit te drukken in woorden (of gebaren). Niet lang na Broca’s ontdekking wordt ook de motorische cortex gelokaliseerd, die onze lichamelijke beweging aanstuurt. Sindsdien zijn er honderden gebieden bijgekomen. Onze grijze massa blijkt als een Zwitsers zakmes tal van gespecialiseerde functies te vervullen.

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Niels O. Schiller.

Klik hier

Lezing: Twee eeuwen Rijksmuseum van Oudheden
Spreker: Prof. dr. Pieter ter Keurs
Datum: 16-04-2018

Omdat het deze week de Nationale Museumweek is nemen we u mee naar de lezing Twee eeuwen Rijksmuseum van Oudheden in Leiden!
In 2018 vierde het museum, gelegen aan het Rapenburg in Leiden, haar tweehonderdjarige bestaan. Precies twee eeuwen geleden besloot de toenmalige Koning Willem I dat het pas gestichte Koninkrijk der Nederlanden, net als Engeland en Frankrijk moest beschikken over een nationale oudhedencollectie. Caspar Reuvens, de grondlegger van het oudheidkundigmuseum en tevens de eerste hoogleraar in de Algemeene Oudheidkunde (thans Archeologie genoemd), werd aangesteld als missieleider. Hij bouwde in korte tijd het bescheiden Leidse kabinet van cultuurobjecten uit tot een oudhedencollectie die mondiale faam geniet. Naast een indrukwekkende collectie Egyptische en Klassieke objecten, herbergt het museum vandaag de dag ook de vruchten van Nederlands archeologisch onderzoek. Denk aan het gebogen zwaard uit het vorstengraf bij Oss of de Schaal van Ewijk. Tijdens deze lezing neemt voormalig hoofdconservator Pieter ter Keurs van het Rijksmuseum ons in vogelvlucht mee door twee eeuwen Rijksmuseum van Oudheden.


Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Pieter ter Keurs.

Klik hier

Lezing: Waar kwam de moed vandaan om op te staan?
Spreker: Prof. dr. Kees Schuyt
Datum: 05-03-2019

Is de levenshouding van professor Cleveringa ouderwets geworden?

Het antwoord op de twee vragen in de titel wordt gegeven in dit college, dat uitvoerig zal ingaan op het leven en de levensloop van prof. mr. R.P. Cleveringa Jzn. (1894-1980). Dit leven bestond uit veel meer dan alleen de dag van de moedige protestrede van 26 november 1940. Wat gebeurde er na 26 november, in de gevangenis van Scheveningen? De moed van Cleveringa bleef niet beperkt tot alleen die protestrede. In de lezing komen de andere verzetsactiviteiten en vooral de andere perioden van het leven van Cleveringa ter sprake. Zijn vorming tot een goed jurist onder leiding van professor Meijers (1913 - 1919), zijn werk als bedrijfsjurist en rechter, tot zijn terugkeer naar Leiden als hoogleraar handelsrecht en burgerlijke rechtsvordering. De belangrijke periode van vlak na de oorlog (het eredoctoraat aan Churchill, rector magnificus in 1946/47) wordt toegelicht aan de hand van zijn door de oorlogsjaren gerijpte opvatting van recht en rechtvaardigheid. Tenslotte worden zijn persoonlijke eigenschappen (beginselvastheid, nauwkeurigheid, onverschrokkenheid, fijnzinnigheid) ontleed, die tezamen zijn levenshouding bepaalden: opkomen voor vrijheid, gerechtigheid en waarheid. Deze eigenschappen en de waarden die hij nastreefde geven de actualiteit aan: die waarden zijn ook voor deze tijd en voor de jonge generaties niet “ouderwets” geworden.

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Kees Schuyt.

Klik hier

Lezing: Montaigne, zijn tijd, leven en werk
Spreker: Prof. dr. Paul J. Smith
Datum: 29-02-2016

Op de laatste dag van februari in het jaar 1571, vlak na zijn verjaardag, besluit de Franse filosoof Michel de Montaigne (1533-1592) om vrijwillig in quarantaine te gaan. Hij trekt zich terug in de kasteeltoren van Château de Montaigne, op zijn landgoed bij Bergerac. Ondanks zijn leeftijd verkondigt hij op melancholische toon ‘de dagen te slijten die hem nog resten’. Montaigne valt samen met het stereotype beeld van de filosoof: zittend op een zolderkamer tussen de stofkaften van zijn bibliotheek en stapels papier, met een druipkaars als enige lichtbron. Maar zijn zelfopgelegde kluizenaarschap moeten we niet al te streng opvatten. Montaigne ontving regelmatig bezoek en maakte veel uitstapjes in de omgeving van het kasteel. En zodra zijn beroemde Essais (1580) is afgerond, reist hij naar Parijs om persoonlijk de pennenvruchten van zijn isolement aan de Franse vorst te overhandigen. 

Zoals de titel van zijn beroemde boek doet verklappen is Montaigne de geestelijke vader van het essay. Hiermee breekt hij met de stijlvoorschriften en de systematische opbouw die scholastici hanteren voor het opstellen van een tekst. Volgens de traditie moet een tekst voorzien zijn van een kop en een staart; en daartussen de romp waarin de schrijver zijn redeneringen en argumenten uitwerkt. Het Franse woord ‘essai’ betekent zoiets als probeersel, proeve of penoefening. In deze meer zoekende en meanderende schrijfstijl springt de essayist associatief van de hak op de tak. Zo komt Montaigne in een essay over de koets te spreken over de Inca’s en Maya’s. Tekenend is ook de benaderingswijze van een onderwerp. In een essay is de schrijver zelf betrokken bij onderwerp. De schrijver geeft geen afstandelijke beschouwing van een onderwerp maar vertrekt vanuit persoonlijke ervaringen en bespiegelingen. Maak kennis met het leven en werk van de Franse essaymeester Montaigne via de tweedelige lezing van emeritus hoogleraar Franse literatuur Paul Smith. En wie weet inspireert de lezing u om uw eigen probeersel neer te pennen op papier.

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Paul J. Smith.

Link hier
 

Lezing: Montaigne door de eeuwen heen
Spreker: Prof. dr. Paul Smith
Datum: 07-03-2016

Montaigne toont hoe een filosoof niet louter de hogere regionen van de geest verkent maar zich ook buigt over de schijnbaar banale zaken van het lichaam. In enkele essays en vooral in zijn reisverslag Journal de voyage en Italie, par la Suisse et l'Allemagne en 1580 et 1581 toont de Fransman zijn fascinatie voor flatulentie en andere vormen van lichamelijke afscheiding. Zo verhaalt hij in zijn essay over de verbeeldingskracht over een flatulist of ‘pétomane’ die met zijn achterwerk wijsjes kon fluiten. In 1580 besluit Montaigne mede vanwege medische klachten zijn kasteeltoren te verlaten en op reis te gaan. Hij lijdt destijds aan kolieken; de pijn veroorzaakt door nierstenen die de urine buis blokkeren. Met een klein gezelschap van edellieden trekt hij langs alle badplaatsen en kuuroorden in Frankrijk, Duitsland, Zwitserland en Italië om verlichting voor zijn kwalen te zoeken. In elke oord laaft hij zich aan liters water uit geneeskrachtige bronnen en boekstaaft daarbij keurig zijn vochtinname en uitscheiding, alsmede kleur, geur en consistentie. Ook maakt hij notitie van elke niersteen die hij loost.

Montaigne is niet de enige geleerde die zich buigt over het fenomeen flatulentie. In Gargantua en Pantagruel van François Rabellais speelt winderigheid een belangrijke rol. En Benjamin Franklin stelt tijdens zijn ambassadeurschap in Parijs zelfs een satirisch essay op over scheten getiteld: A Letter to a Royal Academy about Farting of kortweg Fart Proudly. In zijn brief krijgt de Koninklijke Academie in Brussel de wind van voren (al besluit hij de brief niet in te sturen). Pretentieuze professoren houden zich vooral bezig met onpraktische en ijdele zaken. Zodoende start hij een onderzoek naar een wereldse zaak: “It is universally well known, That in digesting our common Food, there is created or produced in the Bowels of human Creatures, a great Quantity of Wind.” Hij is vooral geïnteresseerd naar de invloed van verschillende voedingswaren op de geur van scheten. Daarbij stelt hij voor om twee druppels terpentine toe te voegen aan het eten om winden aangenamer te maken. Hij doet zelfs een oproep om een medicijn te ontwikkelen die niet alleen de geur neutraliseert maar winden omtovert tot overheerlijke parfums. 

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Paul J. Smith.

Klik hier

Lecture: The Time of Our Lives: A Brief History of the Calendar and Time Keeping
Speaker: Dr. Donna Carroll
Date: 02-03-2015

These days our lives are driven by deadlines, schedules, and timetables. There are monthly rent payments, annual interest rates, academic- and tax-years, summer holidays, early morning alarms, and reminders to be somewhere at a certain time to celebrate a special occasion. How many times a day do you check your calendar to see where you need to be, or look at your clock so you can leave in time for your next appointment? Do you ever have the time to stop and wonder where these ideas of time came from? Who’s to blame for the way in which our lives have become completely dictated by the time and the calendar? Why is everything so rigid and structured?

Time and its many divisions (hours, days, weeks, months, and years) have completely shaped our lives and yet we rarely take the time to think about the origins of these concepts. The calendar as we know it is inextricably linked to the mechanics of our solar system, and the way in which we describe our periods of time has arisen from ancient speculations in astronomy, mathematics and religion. Find out how these ideas developed through this lecture, in which Donna Carroll will present a brief history of our calendar, as well as an introduction to time measurement from ancient sundials to modern atomic clocks. This is a fascinating field where astronomy, astrology, mathematics, politics, agriculture, superstition, and religion come together.

Please click here

Lecture: From Sandcastles to Smartphones: The Development of Microchips and Modern Electronic Devices
Speaker: Dr. Donna Carroll
Date: 05-09-2017

Early computers were built using components so large that they filled entire rooms.  Thanks to the invention of the transistor and chips (integrated circuits), technologies thousands of times more powerful are now merely pocket-sized.

The main components you find inside your iPads and smartphones are semiconductors, fabricated from silicon, which is one of the most common constituents of sand.  In this lecture, find out how we go from a simple particle of sand to a complicated, modern electronic device.  We’ll discuss the remarkable properties that silicon displays and how these are manipulated to produce such varied technologies ranging from lighting, LED televisions, radiation detectors, digital cameras, night vision goggles and solar panels.

Please find the lecture here

The fathers of the transistor: John Bardeen, William Shockley, and Walter Brattain

Lezing: Een Nederlandse Burgeroorlog
Spreker: Prof. dr. Judith Pollmann
Datum: 08-04-2015

In 1570 liet de Hertog van Alva een standbeeld voor zichzelf oprichten in het kasteel van Antwerpen. Hij was trots op wat hij had bereikt; de beeldenstormers waren berecht, de legers van rebel Willem van Oranje verslagen, koning en paus waren bereid de Nederlanders te ‘vergeven’. Twee jaar later, echter, waren delen van het land opnieuw in Opstand, en rukte Willem van Oranje op. De Opstand in Holland en Zeeland is vaak gezien als de ‘heroïsche fase’ in de Opstand.  In de oorlogsretoriek van de Prins ging het om een vanzelfsprekende strijd om de vrijheid van het Nederlandse vaderland tegen arrogante, wrede en tirannieke Spanjaarden. Toch was niet iedereen bereid tot steun aan de Prins. De Opstand mondde uit in een burgeroorlog waarin Nederlanders niet alleen tegenover Spanjaarden, maar vooral ook tegenover elkaar kwamen te staan.  Wat bewoog sommige Nederlandse stedelingen om de geuzenlegers van Willem van Oranje hun steun te geven? Waarom waren anderen daar juist mordicus op tegen? Wat betekende dit voor het leven in de opstandige gewesten? En wat voor rol speelden die tegenstellingen in het uiteenvallen van de Opstand en de scheiding tussen de Republiek en de Zuidelijke Nederlanden?

Veel kijk- en luisterplezier met het college van Prof. dr. Judith Pollmann

Klik hier

Deze website maakt gebruik van cookies.