Logo Universiteit Leiden.

nl en

Radio Horzelnest

In deze roerige tijden heeft het organiseren en het bezoeken van een publiekslezing veel om het lijf. Daarom presenteert Studium Generale Universiteit Leiden vanaf heden Radio Horzelnest: een podcast waarin wij geleerden, auteurs en kenners uit uiteenlopende vakgebieden uitgebreid interviewen over hun onderzoek en/of nieuwe publicaties. Iedere twee weken verschijnt hier een nieuwe aflevering van een uur tot anderhalf uur. Zo kunt u vanuit het comfort van uw eigen huis toch plaatsnemen in de collegebanken!

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

Voor de eerste aflevering van Radio Horzelnest verwelkomen Toon van der Ouderaa, gepensioneerd ecoloog en oud-medewerker bij Staatsbosbeheer, vertaler en Darwin-kenner. In 2019 verscheen van zijn hand de Nederlandse vertaling van het laatste boek van de beroemde Britse bioloog Charles Darwin: “Humusvorming door wormen, met observaties over hun levenswijze”, kortweg: Darwins wormenboek. Toon gaf het boek uit in eigen beheer in zijn nieuw opgerichte uitgeverij APM boek. Mocht u interesse hebben in de vertaling dan raden wij u aan deze te bestellen via de boekhandel of via libris. In dit gesprek beantwoordt Toon de vraag waarom Darwin aan het eind van zijn leven een boek wijdt aan een groep ogenschijnlijk, onbeduidende schepsels: regenwormen. Toon vertelt hoe Darwin al vroeg in zijn leven geïntrigeerd raakte door de gedragingen van wormen, welke belangwekkende observaties hij gedurende zijn leven deed en hoe hij proefsgewijs de zintuiglijke en zelfs rationele eigenschappen van de aardworm ontrafelt.

MAN IS BUT A WORM prijkt onder de prent die Toon koos voor zijn vertaling van Darwins wormenboek. Deze spotprent verscheen in het tijdschrift Punch in 1882, na de publicatie van “The Formation of Vegetable Mould, Through the Action of Worms, with Observations on their Habits” (1881). Vlak boven de tekst zie je hoe de staart van een wormachtige schepsel uit de primordiale chaos kruipt. Wat volgt is een evolutionaire polonaise. De volgende worm vertoont korte voorpoten en een kop met primitieve gelaatstrekken. Naar mate we het cirkelvormige tijdspad volgen (“time’s meter”) begint de worm steeds meer een aapachtige aanblik te krijgen. In de laatste stappen zien we de aap veranderen in een mensaap, oermens en als eindstation een besnorde en keurig gekapte Victoriaanse Brit die eerbiedwaardig zijn hoed afneemt voor Charles Darwin gezeteld in een troon. De cartoon onderstreept de dierlijke oorsprong van de mens. Maar tegelijkertijd illustreert het een belangrijke misvatting over evolutie. De tekenaar geeft evolutie weer als een progressief proces van primitieve naar uiterst complexe levensvormen. Vanwege hun vermeende eenvoud zouden wormen aan het begin van de evolutie staan en mensen aan het eindpunt. De worm en de mens zijn echter geen begin- en eindpunt van evolutie, maar twee uiteindes van verschillende takken in de evolutionaire boom van het leven. De mens stamt niet af van een worm, maar deelt er een gemeenschappelijke voorouder mee, die zo’n 590 miljoen jaar geleden leefde.

Bijna zijn hele wetenschappelijke carrière had Darwin belangstelling voor regenwormen. In 1837, na terugkomst van zijn wereldreis met de HMS Beagle, besluit hij een bezoek te brengen aan zijn oom en toekomstige schoonvader Josiah Wedgwood op het landgoed Maer Hall (Staffordshire). Tijdens een wandeling over zijn landgoed wijst Wedgwood hem op een plek waar hij vijftien jaar geleden een hoeveelheid ongebluste kalk, mergel en sintels had laten uitstrooien te verrijking van de grond. Opmerkelijk genoeg bevond het afval zich inmiddels op een centimeter diepte. Volgens Wedgwood was dit het gevolg van de bedrijvigheid van wormen. Darwin verwonderde zich over het feit dat deze bescheiden bodemdiertjes zulke veranderingen tot stand kunnen brengen. Korte tijd later draagt hij een artikel voor bij de Geological Society in Londen waarin hij de activiteiten van regenwormen karakteriseert als een geologische kracht.

De rest van zijn leven bleef Darwin in de ban van de regenworm. In zijn laatste levensjaren besluit hij alle bewijzen van jarenlange proefnemingen met regenwormen te bundelen en te publiceren. Zijn wormenboek, dat zes maanden voor zijn dood werd uitgegeven, was direct een bestseller. Door de studie bekeken mensen regenwormen opeens met een andere blik. Tot dan werden regenwormen en andere “creepy crawlies” voornamelijk beschouwd als ongedierte dat je zo snel mogelijk moest verdelgen. Regenwormen zouden het wortelstelsel van planten aanvreten en zouden het aanzien van grasperken verstoren met hoopjes uitwerpselen. In een handboek voor landbouw uit Darwins tijd worden zelfs methoden aangedragen om regenwormen te bestrijden. Darwin toonde aan dat regenwormen de vruchtbaarheid en structuur van de bodem juist ten goede komen. Vol lof schrijft hij: ‘Men kan betwijfelen of er veel andere dieren zijn die zo’n belangrijk aandeel in de geschiedenis van de wereld gespeeld hebben als deze laag georganiseerde schepsels.’

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

Voor de tweede aflevering van Radio Horzelnest hebben wij weer een bijzonder gesprek voor u. Ditmaal interviewt beleidshistoricus Pieter Slaman emeritus hoogleraar Universiteitsgeschiedenis Willem Otterspeer over diens laatste boek ‘Het horzelnest: de Leidse Universiteit in oorlogstijd’ (2019, Uitgeverij Prometheus). De achterflap verraadt direct de oorsprong van de titel. De overtuigd nazi en NSB’er Robert van Genechten typeerde de Leidse universiteit als een horzelnest. In de wandelgangen van de rijksuniversiteit zou het gonzen van de verzetsgeluiden. Al brengt Otterspeer in zijn boek wel de nodige historische nuance aan bij deze roerige periode. Zo weerlegt hij de gedachte dat de universiteit zich van meet af aan met hand en tand verzette tegen de Duitse overheersing. Nu waren er veel stafleden en studenten die protesteerden, denk bijvoorbeeld aan de bekende protestrede die professor en decaan van de rechtenfaculteit, Rudolph Pabus Cleveringa (1849-1980), uitspreekt op 26 november 1940. Maar er waren evengoed hoogleraren en docenten die louter handelden uit eigenbelang of zelfs samenwerkten met de bezetter.

Protestrede van Prof. Cleveringa

Meestal wordt het verzet aan de Leidse universiteit in verband gebracht met de naam Cleveringa. Maar in het boek van Otterspeer is een belangrijke rol weggelegd voor hoogleraar volkenrecht, Benjamin Marius Telders (1903-1945). Otterspeer vertelt hoe Ben Telders, in tegenstelling tot anderen, direct koos voor een strategische benadering. Nog voor de uitbraak van de oorlog sprak hij zich uit tegen het oprukkende nationaalsocialisme en pleitte hij voor vluchtelingenopvang voor Joden in Nederland. Na de bezetting probeerde hij waar mogelijk de Duitse bezetter te houden aan het geldende recht, en hun te wijzen op de internationale verdragen, zoals het Landoorlogsregelement van 1907 (dat ook door de Duitsers was ondertekend). Helaas liep het slecht af met Telders. Vanwege zijn verzetsrol werd hij op 18 december 1940 opgepakt. Via de gevangenis van Scheveningen en de concentratiekampen Vught, Buchenwald en Sachsenhausen belandde hij in februari 1945 in Bergen-Belsen om uiteindelijk negen dagen voor de bevrijding te overlijden aan vlektyfus.

Rechts Ben Telders

In de podcast passeren enkele belangrijke personen uit de universiteitsgeschiedenis de revu. Zodoende hebben een korte namenlijst opgesteld: 

  • Jan Drion, jurist en in 1950 benoemd tot hoogleraar burgerlijk recht en internationaal privaatrecht. In de Tweede Wereldoorlog gaf hij met zijn broer Huib het Leidse verzetsblad De Geus onder studenten uit.
  • Willem Nagel, rechtsgeleerde, criminoloog en auteur. Tijdens de oorlog studeerde hij rechtsgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit Groningen. In 1950 trad hij in dienst bij de Rijksuniversiteit Leiden en werd in 1956 benoemd tot hoogleraar penologie en criminele sociologie.
  • Petrus Johannes Idenburg, jurist en secretaris van de Curatoren van de Universiteit Leiden. Vanwege zijn weigering om niet-Arische docenten aan de Universiteit Leiden te ontslaan, trad hij in juni 1942 af als secretaris.
  • Julius Christiaan van Oven, jurist en politicus. Na de arrestatie Cleveringa trad Van Oven (die van 1931 tot 1934 al decaan geweest was) als 'aetate decanus' op; hij gaf tot aan de algehele sluiting van de universiteit leiding aan het principiële verzet van de faculteit tegen de maatregelen van de bezetter. Zijn standvastige houding, die van des te meer moed getuigde omdat hij zelf halfjood was, had tot gevolg dat hij in september 1942 verbannen werd naar Boekelo, waar hij tot het einde van de oorlog bleef.
  • Maria Cornelia van Oven-van Doorn, auteur en echtgenote van Julius Christiaan van Oven. Behalve veel verhalen en kinderverzen in de door haar geredigeerde periodieken publiceerde zij boeken voor kinderen van verschillende leeftijden, waarvan enige onder het pseudoniem Riet van Buren.
  • Siegfried Thomas Bok, neuroloog en hoogleraar histologie en microscopische anatomie. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog trachtte hij misstanden aan de kaak te stellen. In 1943 werd hij op eigen verzoek ontslagen en in 1944 werd hij door de Duitsers gearresteerd als represaille voor een moordaanslag.
  • Sem Dresden, literatuurwetenschapper, romanist en essayist. 
  • Siemens Suermondt, behoorde tot de kern van het Leidse professortenverzet en was fel gekant tegen het nationaalsocialisme. 
  • Roelof Kranenburg, jurist, Eerste kamer lid, hoogleraar staats- en administratief recht. 
  • Jacobus Schrieke, secretaris-generaal van het departement van Justitie tijdens de Duitse bezetting van Nederland.
  • Robert van Genechten, jurist, econoom, auteur en bestuurder. Zowel in de Eerste als in de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij met de Duitse bezetters van respectievelijk België en Nederland. Vanaf juli 1941 was Van Genechten bijzonder hoogleraar in de economie ('volkshuishoudkunde') aan de Rijksuniversiteit Leiden.
  • Laurens op ten Noort, Nederlandse NSB'er en hoofd afdeling Hoger Onderwijs tijdens de Tweede Wereldoorlog.
  • Eduard Meijers, rechtsgeleerde en grondlegger van het huidige (nieuwe) Burgerlijk Wetboek. Zijn gedwongen ontslag was de aanleiding voor de protestrede van Cleveringa. Meijers overleefde de concentratiekampen en keerde al op 25 juni 1945 terug naar Leiden. 
  • David Cohenhoogleraar Oude Geschiedenis en van 1941 tot 1943 voorzitter van de Joodsche Raad.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In deze aflevering gaat Radio Horzelnest in gesprek met Esmée Winkel, werkzaam als botanisch illustratrice voor Naturalis Biodiversity Centre en botanisch kunstenares. Met Esmée praten we onder meer over de praktijk, betekenis en waarde van wetenschappelijk illustreren en haar passie voor planten en botanische kunst. Een aantal werken van haar hand waren tot voor kort te zien in de tentoonstelling Bijzondere Orchideeën in de Oude UB. Helaas gooide de quarantainetijd roet in het eten en was de tentoonstelling slechts een paar weken geopend. Maar niet getreurd. Als u benieuwd bent naar haar werk dan raad ik u zeker aan om eens te kijken op haar website. Hier vindt u naast een selectie van haar illustraties en kunstwerken ook een overzicht van de boeken en wetenschappelijke publicaties waaraan zij heeft bijdragen. Bovendien verzorgde zij ook een aantal illustraties voor de 24ste editie van Heukels’ Flora van Nederland (2020).

Copyright Esmée Winkel

Aangezien wetenschappers tegenwoordig haarscherpe foto’s kunnen maken van hun studieobjecten zou je denken dat getekende afbeeldingen tot het verleden behoren. Esmée Winkel vertelt in deze aflevering hoe wetenschappelijk illustreren een springlevende tak van natuurvorsen is. Dergelijke illustraties zijn geen epitheton ornans bij de wetenschap; esthetische opsmuk bij een publicatie in een tijdschrift. Hoewel een publicatie van een nieuwe plantensoort tegenwoordig foto’s kan bevatten, zijn tekeningen doorgaans informatiever. Een foto, hoe scherp ook, bevat teveel ruis. In een tekening kan je karakteristieke kenmerken van bijvoorbeeld de bloem weergeven die wegvallen in de foto. Daarnaast kan je vraatsporen wegpoetsen, de positionering van de plant op papier bepalen en bepaalde onderdelen naar wens uitvergroten. Daar komt nog bij dat er van veel nieuw ontdekte soorten geen foto’s beschikbaar zijn. Esmée Winkel vertelt hoe zij vaak enkel herbariummateriaal tot haar beschikking heeft. Uit dit gedroogde en geperste plantmateriaal reconstrueert zij de plant. Maar soms is er levend materiaal om mee te werken. De Hortus botanicus te Leiden bevat een bijzondere collectie planten. Soms moet Esmée snel naar de botanische tuin omdat de bloem van een nieuw ontdekte soort bloeit. Wetenschappelijk illustreren is een kwestie van meten, abstraheren, positioneren, accentueren en heel, heel veel tekenuurtjes. Maar de meeste tijd zit volgens Winkel in het bestuderen van de plant, wat maar weer benadrukt dat kijken een kunst is.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In de nieuwe aflevering van Radio Horzelnest bespreken we het Amerikaanse puritanisme door de bril van de briljante negentiende-eeuwse schrijver Nathaniel Hawthorne (1804-1864). Ditmaal hebben we als gast voor u literatuurwetenschapper Evert Jan van Leeuwen, universitair docent Engelse taal en cultuur bij het LUCAS aan de Universiteit Leiden. Hij specialiseert zich in Engelstalige fictie van de achttiende en negentiende eeuw waarbij hij vooral aandacht heeft voor science fiction, horror en het bovennatuurlijke. Evert vertelt over Hawthorne's kritiek op de puriteinse samenleving maar over de schaduwkant van de utopische wensdroom en de gespannen verhouding tussen materialisme & idealisme en het Amerikaanse transcendentalisme. Als leidraad volgen we Hawthorne’s beroemde roman ‘The Scarlet Letter’ (1850) en enkele korte verhalen, waaronder ‘Young Goodman Brown’ (1835) (over een brave borst die getuige is van een heksensabbat) en ‘The Celestial Railroad’ (1843) (een allegorische pelgrimage met de pleziertrein).

Pelgrimpraatjes

Deze aflevering over Nathaniel Hawthorne is onderdeel van de reeks ‘pelgrimpraatjes’. In deze reeks gaan we met schrijvers en onderzoekers in gesprek over de verschillende aspecten van de puriteinse pelgrimage naar Amerika en aanverwante onderwerpen. Precies vier eeuwen geleden besloot een groep Engelse pelgrims de overtocht te maken naar de Nieuwe Wereld en zich vestigen op Plymouth Rock in de hedendaagse staat Massachusetts. Deze pelgrims zijn calvinistische puriteinen; een strenge geloofsgroepering die zich afsplitst van de Anglicaanse Kerk; die zij te katholiek achten en onvoldoende (protestants) hervormd; deze pelgrims vestigen zich in Amerika om zich te ontdoen van de Roomse resten en in vrijheid hun geloof te kunnen belijden. Daarbij hadden zij een utopische samenleving voor ogen met een overheid die handelt omwille van haar onderdanen en waar het gezin de hoeksteen van de samenleving vormt. De Puriteinen houden er een strenge levenswandel op na waarin vroomheid, rechtschapenheid, zelfbeheersing, evenals het vervullen van burgerlijke en kerkelijke taken, hoog in het vaandel staan.

De scharlaken letter

The Scarlet Letter begint met een autobiografische inleiding over Hawthorne’s pennenlikkersbestaan bij een douanekantoor (custom house) in Salem (Mass.) en zijn archiefvondst van een decreet met een bijhorend mysterieus borduursel; een rode letter A. Daarna hevelt Hawthorne de lezer over naar het zeventiende-eeuwse Boston. Daarbij introduceert Hawthorne wat Van Leeuwen de ‘utopistische paradox’ noemt. De stichters van de nieuwe kolonie zien zich direct genoodzaakt om een deel van het land te reserveren voor een begraafplaats en een gevangenis. Als de poorten van de gevangenis openslaan schuifelt Hester Prynne naar buiten met een kind aan het arm. Ten overstaan van het gepeupel beklimmen moeder en kind het schavot om daar een dag lang te schande te staan. De Puriteinse rechtbank besluit af te zien van een doodstraf of lijfstraf en veroordelen haar om tot haar dood de scharlaken letter A, voor ‘adultress’ (echtbreekster), op haar mantel te dragen. Wat is er voorgevallen? In afwezigheid van de spoorloos verdwenen heer Prynne breekt Hesther haar sacroscante huwelijkseed door een affaire te krijgen met de veelbelovende jonge dominee Arthur Dimmesdale, met als resultaat de geboorte van het onechtelijke kind Pearl. Prynne houdt de identiteit van haar minnaar geheim. De bedrogen echtgenoot, dokter Roger Chillingsworth, verschijnt ten tonele als Hester samen met Pearl op het schavot staat. Later belooft hij haar niet te zullen rusten tot hij de vader van het onwettige kind heeft geïdentificeerd. Schuld, boete en wraak spelen een sleutelrol in deze roman. De schuld die steeds zwaarder weegt op het geweten van de vrome dominee Dimmesdale, Hesters boetedoening en nimmer aflatende wraaklust van Chillingsworth. In ‘The Scarlet Letter’ toont Hawthorne zich een scherpzinnige criticus van het zwartkouserige puritanisme door zorgvuldig haar hun bekrompenheid en hypocrisie bloot te leggen.

De hemelse spoorweg

In zijn eigen leven schippert Hawthorne tussen utopie en een samenleving geschoeid op materialisme. Over Hawthorne’s hang naar utopisme schreef Evert-Jan van Leeuwen de boekbijdrage ‘Utopianism’ voor de bundel ‘Hawthorne in context’ (Cambridge University Press, 2018) samengesteld door Monika M. Elbert. Van Leeuwen vertelt onder meer dat Hawthorne zich aansluit bij de pastorale commune Brook Farm die onder leiding staat van de transcendentalist George Ripley. Al na twee seizoenen besluit hij het boerenleven vaarwel te zeggen en samen met zijn echtgenote in te trekken in de Old Manse, een oude pastoriewoning in Concord (Mass.). Concord was destijds de pleisterplaats voor filosofen, schrijvers en dichters waaronder Ralph Waldo Emerson, Henry David Thoreau en Amos Bronson en Louisa May Alcott. Tijdens zijn verblijf in de pastoriewoning schrijft hij een verhalenbundel onder de titel: Mosses from the Old Manse (1846). Het bekendste verhaal hierin is The Celestial Railroad. Hierin neemt Hawthorne het beroemde boek The Pilgrim’s Progress (1678) op de hak. In dit boek vertelt de puriteinse predikant John Bunyan een allegorisch verhaal over het leven van een Christen en alle beproevingen en verzoekingen die hij op zijn levenspad kan tegenkomen. Bunyan beschrijft het leven als een lange, zware louteringsweg door een aardse tranendal op weg naar de hemelse stad. In Hawthorne’s bewerking is de allegorische pelgrimage gemoderniseerd. Inmiddels is er dankzij de industrialisatie een spoorweg richting de hemelse stad. De Bunyans pelgrimage is veranderd in een pleziertreinrit, de zonden van de passagiers worden opgeborgen in het bagageruim en de conducteur Mr. Smooth-it-away heeft alle bergen, ravijnen en andere hindernissen glad getrokken.

  • John Bunyan (1628-1688): Engelse puriteinse predikant die tijdens zijn gevangenschap, omwille van zijn religieuze overtuiging, het beroemde allegorische boek ‘The Pilgrim’s Progress’ (1678) schreef. Hawthorne baseerde zijn korte verhaal ‘The Celestial Railroad’ op Bunyans boek. 
  • Roger Williams (1603-1683): puriteinse predikant, auteur en theoloog die verdreven wordt uit de Massachusetts Bay Colony om in 1636 de kolonie Providence Plantations te stichten. Twee jaar later sticht hij de First Baptist Church of America.
  • Amos Bronson Alcott (1799-1888): ook wel de ‘Socrates van Concord’ genoemd. In 1840 verhuist deze beroemde docent, abolitionist, auteur en filosoof naar Concord waar hij residentie neemt in de Dove Cottage – duivenkot. Bronson is een kleurrijk figuur met een verfrissende kijk op pedagogie en onderwijs. Ook sticht hij de utopische commune genaamd Fruitlands, die een half jaar later vanwege tegenvallende oogsten en geldgebrek wordt opgeheven.
  • Anne Hutchinson (1591-1643): Engelse religieuze hervormer. Vanwege kritiek op het puriteinse geloof wordt zij verbannen uit de Massachusetts Bay Colony en geëxcommuniceerd door haar kerk. Met haar gezin zoek ze toevlucht in Rhode Island.
  • Ralph Waldo Emerson (1803-1882): staat te boek als één van de meest invloedrijke denkers in de negentiende-eeuwse Verenigde Staten. Hij verkrijgt bekendheid met zijn eerste essay Nature (1836) en later met het essay The American Scholar (1837). Hij is één van de grondleggers van het Amerikaanse transcendentalisme die bijzonder belang hecht aan individualiteit, vrijheid en natuurwaardering.
  • Henry David Thoreau (1817-1862): beroemde Amerikaanse kluizenaarfilosoof. Zijn boek Walden, or Life in the Woods (1854) is een klassieker in de westerse literatuur.
  • Samuel Taylor Colerigde (1772-1834): Britse ‘Lake-poet’ die veel beroemde gedichten schreef, zoals The Rime of the Ancient Mariner en Kubla Kkan, wiens denken en dichten invloed had op het Amerikaanse transcendentalisme.
  • Thomas Carlyle (1795-1881): Schotse schrijver, historicus en wiskundige. Evenals Coleridge heeft het werk van Carlyle een belangrijke invloed op het Amerikaanse transcendentalisme.
  • William Ellery Channing (1780-1842): Amerikaanse unitarische predikant en theoloog.

 

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

Voor deze aflevering hebben we Alexander Reeuwijk uitgenodigd om te praten over de Britse autodidact-natuurgeleerde, vader van de biogeografie, en medeontdekker van de evolutieleer, Alfred Russel Wallace (1823-1913). De aanleiding voor ons gesprek is het recent verschenen boek: ‘Wallacea’ (2020), een project waarin Alexander samenwerkte met kunstenares Roos Holleman. Het boek bevat Hollemans pasteltekeningen van vogelbalgen die Wallace verzamelde op zijn omzwervingen door de Maleise Archipel, aangekleed met teksten van Alexander en bijdragen van onder andere Jean-Pierre Geelen, Hein van Grouw, George Beccaloni en Kees Moeliker. Alexander vertelt in deze aflevering over de reizen die Wallace maakte naar de Amazone en de Maleise archipel, op zoek naar onbekende insecten, vlinders en vogels. Ook komen we te spreken over Wallace’s biogeografische werk en natuurlijk zijn ontdekking van evolutie via natuurlijke selectie.

Koortsdroom

Waanzin en wetenschap blijken soms nauwverwant. In de wetenschapsgeschiedenis zijn er verschillende verhalen over wetenschappelijke doorbraken die gepaard gingen met een kortstondige gekte of ziekte. Dat overkomt ook Wallace tijdens zijn verblijf op het Molukse eiland Ternate. Eerder had hij al geschreven over de geografische en geologische verspreiding van levende en uitgestorven soorten. Wallace was al opgevallen dat nauwverwante soorten vaak in ruimte en tijd in elkaars nabijheid verkeren, later bekend als de Sarawak-Wet. Maar hij mistte een achterliggend mechanisme om de verandering van soorten te verklaren. Deze ontdekking komt tot hem als hij bedlegerig op het Molukse eiland Ternate een malaria-aanval krijgt. De Amerikaanse auteur Tom Wolfe beschrijft de episode in ‘The Kingdom of Speech’ (2016): “[Wallace] ligt nog op zijn natte, stinkende bed en probeert de eindeloze malaria-aanvallen te doorstaan, als hij een ander soort koorts krijgt, koorts van blijdschap… een heftig verlangen zijn openbaring vast te leggen en aan de wereld te vertonen – nu! Twee dagen en twee nachten lang… iedere enigszins rustig ogenblik tussen de rillingen, de rammelende ribben, de koorts en het zweet… schrijft hij en schrijft schrijft schrijft een manuscript van meer dan twintig bladzijden met de titel ‘On the Tendency of Varieties to Depart Indefinitely from the Original Type’.” Tijdens zijn ijlende koortsdromen memoreert Wallace de dagen die hij doorbracht in de bibliotheek van de Collegiate School in Leicester, en met name het lezen van specifiek van één manuscript: ‘Essay on the Principle of Population’ van de Britse socioloog Thomas Malthus. Hier lag de sleutel van zijn ontdekking. Malthus beweerde dat voedsel- en ruimtevoorziening geen gelijke voet houdt met bevolkingsgroei. Dit resulteert al snel in zogenaamde ‘checks’ zoals oorlog, ziektes en andere rampspoed die grenzen leggen aan ongebreidelde vermenigvuldiging. Welnu, Wallace past deze gedachte toe op de levende natuur. Ook daar is sprake van populatiegroei die tegen de grenzen loopt. De tendens tot variaties zorgt ervoor dat in toestanden van schaarste sommige organismen beter geëquipeerd zijn om te overleven dan anderen. Zijn ontdekking van het mechanisme van natuurlijke selectie stuurt hij op naar niemand minder dan Charles Darwin, die na het openen en lezen van de brief zich realiseert dat elke Newton een Leibniz kent.

Namen

  • Henry Walter Bates (1825-1892), Britse natuurgeleerde die samen met Wallace op reis gaat naar het stroomgebied van de Amazonegebied. Later schrijft hij, aangespoord en geholpen door Charles Darwin, het boek ‘The Naturalist on the River Amazons’ (1863) over zijn elfjarige reis door de Amazone.
  • Sir Charles Lyell (1797-1875), was een Schotse geoloog die veel bekendheid verkreeg met zijn driedelige baanbrekende werk ‘Principles of Geology’ (1830-33). Daarnaast was hij goed bevriend met Charles Darwin. Zijn assistente Arabella Buckley raakt bevriend met Wallace en zorgt er uiteindelijk voor dat Wallace met hulp van Darwin een staatspensioen krijgt.
  • Sir Joseph Dalton Hooker (1817-1911), Britse botanicus en boezemvriend van Charles Darwin (en de eerste wetenschapper die publiekelijk de evolutieleer omarmt). Naast vele natuurhistorische expedities volgt hij op latere leeftijd zijn vader op als directeur van de Royal Botanic Gardens in Kew.
  • Samuel Stevens (1817-1899), Londense verzamelaar en één van de grondleggers van de Britse entomologische vereniging. Hij was Wallace agent in Londen en kocht zijn verzamelde naturalia op.
  • Ali Wallace (1840-1907), een Maleise jongen die zeven jaar lang meereist met Wallace en hem assisteert bij het verzamelen, beschrijven en catalogiseren van diens natuurhistorische collectie.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In de zesde aflevering van Radio Horzelnest praten we met professor Jan J. Boersema, hoogleraar grondslagen van de milieuwetenschappen bij het Centrum voor Milieuwetenschappen hier aan de Universiteit Leiden, over een relatief onbekende episode uit de Amerikaanse immigratiegeschiedenis. In de negentiende eeuw begint de grote trans-Atlantische trek: Duitsers, Ieren, Italianen en Oost-Europese Joden emigreren massaal om in de nieuwe wereld hun kansen te beproeven. Ook in Nederland wagen duizenden zogeheten ‘volksplanters’ de oversteek. Een deel doet dat om religieuze motieven en reist onder leiding van de predikanten Albertus van Raalte (1811-1876) en Hendrik Scholte (1805-1868) mee naar de VS. Beide predikanten en een groot deel van hun volgelingen behoren tot de zogeheten Afgescheidenen, een afsplitsing van de Nederlands Hervormde Kerk. Van Raalte en zijn volgelingen stichten een kolonie genaamd ‘Holland’ in de wouden van West-Michigan en Scholte’s groep vestigt zich op de prairies van Oost-Iowa en noemt zijn kolonie ‘Pella’. In deze aflevering vertelt Boersema over de motieven achter de Nederlandse migratiestroom, leven en overleven aan de frontier en vooral de houding van de nieuwkomers ten opzichte van de Amerikaanse natuur.

Al enkele jaren doet Boersema onderzoek naar de Nederlandse settler in Holland en Pella. Hij baseert zich daarbij vooral op de archieven van Holland Museum Archives (HMA). In 1880 kwam de postmeester Gerrit van Schelven op het idee om de migranten te vragen of ze hun herinneringen over de vroege jaren van de nederzetting op papier wilden stellen. Van Schelven zat ook in de redactieraad van de krant: De Grondwet, die in 1860 werd gestart. Tientallen mensen reageerde op de oproep en zodoende bevat het archief veel memoires, herinneringen, schetsen, en duizenden brieven uit deze periode. In het bestuderen van deze historische bronnen is Boersema vooral geïnteresseerd in de houding van de migranten ten opzichte van de nieuwe natuur waarin zij zich bevinden. Hoe keken zij naar de omgeving en naar de flora en fauna?

Manifest Destiny

De beginjaren van de nieuwe kolonies kenmerken zich door een technologisch optimisme. Nieuwe landbouwmachines, zoals de ‘corn husker’ en de ‘hay baler’, worden warm onthaald door de boerengemeenschap. Hetzelfde geldt voor de komst van de spoorlijn en telegraaf. Ten aanzien van de Amerikaanse natuur bemerkt Boersema duidelijke oudtestamentische sporen in het schrijven van de migranten. Hoewel de Nederlanders de kolonisatie van Amerika niet aanmerken als een ‘manifest destiny’ (onloochenbare lotsbestemming) zie je deze houding wel terug in hun waardering van de natuur. Zij beschouwen het als hun taak om landbouw en daarmee beschaving te brengen in de wildernis. Daarbij laten zij zich in negatieve bewoordingen uit over de wildernis en haar bewoners. De woudreuzen het bosrijke Michigan worden aangeduid als zogeheten Enakskinderen (vernoemd naar een geslacht van reuzen uit de Bijbel), wolven en bizons worden gezien als ondieren die het veld moeten ruimen voor de oprukkende beschaving en de inheemse bevolking moet worden geciviliseerd.

Als de pioniers in de negentiende eeuw westwaarts trekken zien zij het als hun onloochenbare lotsbestemming (‘manifest destiny’) om overal landbouw en daarmee beschaving te brengen. In het essay ‘The Young American’ (1844) schrijft de Amerikaanse filosoof Ralph Waldo Emerson: ‘Dit grote woeste land moet met voren beploegd worden en met de eg worden gekamd […] deze wilde prairies moeten overladen worden met graan; de moerassen met rijst; en op de heuveltoppen moeten ontelbare schapen en runderen grazen; en de eindeloze bossen moeten sierlijke parken worden, ter nut en vermaak.’ De oproep aan de jonge Amerikaan is duidelijk: het gehele continent moet in cultuur worden gebracht. Deze gedachte aan een beschavingsoffensief wordt verbeeld op een bekend en uiterst lelijk schilderij van John Gast. Het doek draagt de titel ‘American progress’. Deze vooruitgang wordt hier gepersonifieerd door een zwevende dame met in haar ene hand een schoolboek en in de andere een spoel van een telegraaflijn. Aan de rechterkant zien we de oostkust van de Verenigde Staten en de opkomende zon die de donkere wolken en de duistere nacht westwaarts drijven. In het kielzog van ‘Lady Progress’ zien we een transcontinentale telegraaflijn, spoorwegen, huifkarren en kolonisten. Op de voorgrond zien we rechts een boerderij, met lastdieren die een ploeg trekken en verderop een pelsjager en een goudzoeker. Links zien we een beer ontsnappen, en een nomadische indianenfamilie die op de vlucht slaat. In de verte zie je enkele tipi’s en een kudde bizons die wegtrekt in westwaartse richting. Op dit doek stikt het van de ideologische tegenstellingen: licht-donker, landbouw-jagen, sedentair-nomadisch, lastdieren-wilde dieren, beschaafd-primitief, en overkoepelend: ‘cultuur-natuur’.

Namenlijst

Hendrik Scholte (1805-1868), studeerde theologie aan de Universiteit Leiden en trok als gereformeerde predikant met een groep Nederlandse emigranten naar Amerika en stichtte daar in 1847 de stad Pella in Iowa.

Albertus van Raalte (1811-1876), studeerde theologie aan de Universiteit Leiden en trok als gereformeerde dominee met een groep Nederlandse emigranten naar Amerika en stichtte daar in 1846 de stad Holland in Michigan.

Isaac Wykhoff (1793-1869), dominee uit Albany (New York) die zich aansloot bij de Dutch Reformed Church en hij directeur werd van de Young Ladies Academy in New Brunswick, NJ.

Meriwether Lewis (1774-1809) & William Clark (1770-1838), twee Amerikaanse ontdekkingsreizigers die door president Thomas Jefferson op expeditie worden gestuurd naar het nieuw verworven Louisiana Territory. De driejarige expeditie ligt ten grondslag aan de westwaartse expansie van de Amerikaanse pioniers.

John James Audubon (1785-1851), een Frans-Amerikaanse ornitholoog en kunstenaar die het bekende werk ‘The Birds of America’ (1826) schreef en illustreerde.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

Aflevering 7 staat in het teken van insecten. Met entomoloog Aglaia Bouma als gids verkennen we een wemelende wereld vol gefriemel en gewoel, met rondkruipende, krioelende kriebelaars, snerpende en stridulerende springers, en rondzwevende zwermen van zoemende of klapwiekende fladderaars. Oneerbiedig aangeduid als ongedierte. In deze aflevering blazen we niet op één loftrompet maar klinkt een hele fanfare ter faveure van insecten. We staan stil bij de diversiteit, complexiteit, pracht en het belang van deze organismen. In april 2020 verscheen Aglaia’s eerste non-fictie boek ‘Insectenrijk: Het grootse leven van kleine beestjes’ bij Uitgeverij Atlas Contact. Het boek kent een opmerkelijk vertrekpunt aangezien het niet begint bij het ontstaan van Aglaia’s fascinatie voor insecten maar bij het begin van haar insectenfobie. In het verleden kwam zij er op akelige wijze achter dat zij allergisch was voor het gif van hoornaars. Dankzij de anafylactische shock en de ziekenhuisopname als gevolg van de hoornaaraanval ontwikkelde ze een angst voor insecten. In ‘Insectenrijk’ vertelt Aglaia over haar eigen metamorfose van entomofoob tot entomofiel. Maar centraal staat het bijzondere, bizarre en interessante leven van insecten.

Die Verwandlung

Metamorfose speelt ook een centrale rol in Die Verwandlung (De gedaanteverwisseling, 1915) van de Tsjechische schrijver Franz Kafka, misschien wel het bekendste dierenfabel van de twintigste eeuw. Menigeen kent het nog van de leeslijst voor Duits op de middelbare school (aangezien het zo dun werkje was). Het boekje begint met de beroemde zin: ‘Als Gregor Samsa eines Morgens aus unruhigen Träumen erwachte, fand er sich in seinem Bett zu einem ungeheuren Ungeziefer verwandelt.’ Op die ongelukkige ochtend ontwaakt Gregor Samsa, een eenvoudige verkoper met een schoon blazoen, uit een onrustige droom om te ontdekken dat hij is verandert in een ungeheuren Ungeziefer. Dat laatste woord van deze dubbele ontkenning wekt onze aandacht. Het woord ‘Ungeziefer’ is in verschillende Nederlandse edities op uiteenlopende manieren vertaald met onder meer insect, kever, kakkerlak. In de Nederlandse vertaling van Nini Brunt vind je de beste vertaling: ongedierte. Maar deze vertaling evenals het origineel roept direct de vraag op waarom Kafka hier kiest voor de meervoudsvorm ‘ongedierte’ en niet voor een specifiek insect. Het is bekend dat de auteur de uitdrukkelijke wens had dat er geen insect werd afgebeeld op de omslag. Toch zijn er in weerwil van de auteur heel wat edities verschenen met een insect op de kaft en is er veel speculatie over het precieze insect waarin Gregor Samsa zou zijn veranderd. Nederlandse bioloog Midas Dekkers heeft tijdens een lezing voor Stichting Nederlandse Franz Kafka-kring op basis van verschillende passages aannemelijk gemaakt dat de schrijver een pissebed voor ogen had. Maar waarom schrijft Kafka dat dan ‘Assel’ of ‘Landassel’? Wat voor metamorfose heeft Kafka voor ogen?

Voorvoegsel 'un-'

Laten we bij de tekst blijven en opnieuw een blik werpen op de eerste zin: ‘Als Gregor Samsa eines Morgens aus unruhigen Träumen erwachte, fand er sich in seinem Bett zu einem ungeheuren Ungeziefer verwandelt.’ Opvallend is dat er drie keer het voorvoegsel ‘un-‘ valt, maar niet alle drie keer dragen ze dezelfde betekenis. Het voorvoegsel ‘un-‘ kan van het woord het tegendeel maken, zoals bij ‘unruhigen’ (onrustige) dat het tegendeel is van ‘ruhigen’ (rustige). Hetzelfde geldt voor het Nederlandse voorvoegsel ‘on-‘. Dergelijke negatie-voorvoegsels (evenals niet, tegen-, de-, dis-, en in-) creëren oppositionele woordparen of antoniemen (veilig - onveilig, begrip - onbegrip, bemand - onbemand). Woorden waarbij de praefix ‘on-‘ werkt als een negatie-voorvoegsel zijn vaak eenvoudig te herkennen doordat ‘on-‘ vervangbaar is met ‘niet-‘. Neem bijvoorbeeld de woorden ‘onvoltooid’, ‘onvolledig’, ‘ongeëvenaard’ en ‘onevenredig’. Welnu, bij het woord ‘onkruid’ draagt het voorvoegsel een andere betekenis. Dat verschil is al te merken in een subtiele accentverschuiving in de beklemtoonde lettergreep. Bij ‘Ungeziefer’ ligt de klemtoon vooraan in het woord (bij het voorvoegsel), terwijl bij het woord ‘unruhigen’ de klemtoon op de tweede lettergreep ligt. Qua betekenis past ‘Ungeziefer’ in hetzelfde rijtje als: ‘Unding’ (onding), ‘Unkraut’ (onkruid), ‘Unmensch’ (onmens) maar ook bij ‘Unwetter’ (onweer), ‘Untat’ (wandaad) en ‘Unkosten’ (onkosten). Neem bijvoorbeeld ‘Unkraut’, dit woord is niet het antoniem van kruid maar juist een negatieve overtreffende trap: een schadelijk, slecht, lelijk, verschrikkelijk kruid. Hetzelfde geldt voor ‘Unwetter’, ‘Unkosten’ en ‘Ungeziefer’.

Ungeziefer

Ook het woord ‘Ungeziefer’ wijst het voorvoegsel niet op een ontkenning maar op het verschrikkelijke, akelige en ongewilde van deze gedierten. Maar nu rest nog een derde woord dat begint met ‘un-‘, te weten ‘ungeheuren’. Dit woord is etymologisch verwant aan het Nederlandse ‘onguur’. In onze taal heeft dit wordt een eigenaardige taalkundige geschiedenis. Het woord ‘guur’ betekende vroeger, evenals het hedendaagse Duitse woord ‘geheuer’, ´liefelijk´, ´ongevaarlijk´ en ´veilig´. ‘Onguur’ betekende het tegendeel, te weten ´weerzinwekkend´, ´gevaarlijk´ en ´onveilig´. Maar de website van Onze Taal merkt op dat het woord ‘guur’ vanaf het einde van de zestiende eeuw ook negatief wordt opgevat. Zo dragen ‘gure wind’ en ‘ongure types’ inmiddels beide een negatieve connotatie. Nu we beide woorden onder de loep hebben genomen, wordt het de volle gewicht van Kafka’s woordkeuze duidelijk. Het individu Gregor Samsa verandert in onguur ongedierte! Deze verandering is geen metamorfose van A naar B maar is een verandering die gepaard gaat met identiteitsverlies en de opkomst van een nieuwe identiteit. Nu verkrijgen we inzicht in Kafka’s gebruik van de meervoudsvorm ‘Ungeziefer’. Dit woord heeft juist vanwege het weerzinwekkende iets onbepaalds of onspecifiek, wat nog eens extra wordt aangedikt door het bijvoeglijk naamwoord ‘ungeheueren’. Het is daarom zinloos om in Kafka’s krabbels, brieven en aantekeningen op zoek te gaan naar een entomologisch afgebakende entiteit. Omdat Samsa nu verschijnt als ongedierte wordt hij enerzijds onzichtbaar en anderzijds juist extra zichtbaar. Onzichtbaar omdat zijn individualiteit opgaat in de generieke aanduiding ‘ongedierte’ waaronder allerlei dieren vallen, zoals insecten maar ook muizen en andere knaagdieren. Maar hij wordt vanwege de generieke aanduiding wordt hij ook extra zichtbaar omdat hij als ongedierte walging en weerzin opwekt bij en de drang tot vernietiging.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In aflevering acht van Radio Horzelnest staan we stil bij de stamboom van de mens. Daarvoor schuift bij ons aan, archeoloog Gerrit Dusseldorp, onderzoeker bij de Faculteit Archeologie aan de Universiteit Leiden. We praten onder meer over grottenkunst, opgraven in Zuid-Afrika, veranderingen in vuursteentechnologie en Afrikaanse pleistocene fauna. Maar we hebben Gerrit vooral uitgenodigd om met hem in gesprek te gaan over de stamboom van de mens en zijn meest verwante familieleden. In de Origin of Species schreef Charles Darwin voorzichtig dat zijn nieuwe evolutieleer licht zal schijnen op de menselijke oorsprong. Later in zijn leven tekende hij een schetsmatige stamboom van primaten met aan een van de loten de Homo sapiens; en opperde hij dat de wieg van de mens in Afrika stond. In de eeuwen die daarop volgden is deze schets uitgegroeid tot een tamelijk complexe fylogenetische stamboom met een veelheid aan vertakkingen. In deze aflevering bespreken we de genealogie van de mens en recent ontdekte loten aan de menselijke stamboom, van de Floresmens die in 2003 werd ontdekt tot de recent-ontdekte Naledi-mens en Denisova-mens. En we staan stil bij enkele denkdogma’s en vooringenomenheden, alsook fossiele vondsten, die de reconstructie van de menselijke stamboom bemoeilijken.

 

De evolutie van de mens

U bent vast bekend met het stereotype beeld van de menselijke evolutie. Dat beeld begint links met een behaarde aap op vier poten en gaat via verschillende tussenstadia naar een steeds minder voorovergebogen, knokkelslepende mensaap tot je rechts eindigt met de rechtop staande mens (soms voorzien van speer en ledendoek voor de schamelheid). Iedereen heeft wel eens één van de vele varianten van deze afbeelding gezien. In dit stereotype beeld wordt menselijke evolutie vereenzelvigd met vooruitgang. De moderne mens zou zich in een rechte lijn hebben ontwikkeld uit minder ontwikkelde aapachtigen met een steeds grotere herseninhoud. Hoewel dit nog altijd een veelgebruikt beeld is ter illustratie van de evolutieleer, strookt het niet met Darwins gedachten over de menselijke evolutie. In zijn optiek is de mens geen hoogtepunt van de evolutie maar slechts een zijtak van een zijtak aan de boom des levens. Wij stammen niet af van de chimpansee maar delen een gemeenschappelijke voorouder met de chimpansee die zich zo’n 6 miljoen jaar geleden heeft opgesplitst in twee lijnen.

Ook in de paleoantropologie is het besef van een stamboom al langer ingedaald. Toch meende men lange tijd in het fossiele bestand een progressief lijn te ontdekken naar steeds grotere hersenen. Deze toename in hersenvolume zou nauw verband houden met enkele belangrijke cognitieve ontwikkelingen die typerend zijn voor de moderne mens, denk bijvoorbeeld aan symbolisch gedrag en complexe technologie. Maar de laatste decennia worden er overblijfselen gevonden van mensachtigen die niet lijken te stroken met dit progressieve beeld. Neem bijvoorbeeld de Floresmens (Homo floresiensis) waarvan in 2003 de overblijfselen werden ontdekt in Indonesië. Het bleek hier te gaan om een dwergversie van Homo erectus, die kennelijk in isolement was geraakt op het eiland Flores. Aangezien de Floresmens hersenen had ter grootte van een sinaasappel kon het beeld van een toename in hersenvolume niet kloppen. Maar deze dwerggroei bleek eenvoudig te verklaren vanuit de eilandbiologie. Het was bekend dat de selectiedruk op eilanden zorgt voor dwergvormen van megafauna, zoals dwergolifanten en dwergnijlpaarden (en reuzengroei bij knaagdieren zoals mollen en ratten). Kortom het progressieve beeld van de menselijke evolutie bleef van kracht.

Homo naledi

In 2017 werd tussen Johannesburg en Pretoria een bijzondere vondst gedaan. Een groep amateurspeleologen had tijdens een labyrintische afdaling in het Rising Star grottencomplex vreemde botpartijen waargenomen. Toen de foto’s uiteindelijk belandde op het bureau van een archeoloog aan de Witwatersrand Universiteit rees het vermoeden dat het hier om fossiele overblijfselen van een uitgestorven mensachtige. Inmiddels is de menselijke stamboom een soort rijker: Homo naledi. Hoewel het al snel duidelijk was dat het een lid van het geslacht Homo betrof, zijn er aanzienlijke verschillen met de anatomisch moderne mens. Zo wijst de anatomie van de schouders en vingers erop dat ze mogelijk behendige boomklimmers waren. Verder heeft de naledi-mens een lengte van anderhalve meter en vrij kleine hersenen. De botresten zijn gedateerd op 335,000–236,000 jaar geleden toen ook de moderne mens al rondliep in Zuid-Afrika. Het lineaire beeld van de menselijke evolutie ten spijt, lijkt er lange tijd een flinke variatie te zijn geweest in de morfologie van mensachtigen.  

Stamboom van de mens

Australopithecus afarensis (ca. 4,3 tot 2 miljoen jaar geleden). 
Paranthropus robustus (ca. 2 tot 1,2 miljoen jaar geleden).
Homo habilis (ca. 2,3 tot 1,5 miljoen jaar geleden).
Homo erectus (ca. 1,9 miljoen tot 140.000 jaar geleden).
Homo naledi 
Homo neanderthalensis (ca. 430.000 jaar tot 40.000 jaar geleden)
Homo denisova
Homo floresiensis (ca. 190.000 jaar tot 50.000 jaar geleden).
Homo sapiens: (ca. 300.000 jaar tot heden).
 

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In de negende aflevering van Radio Horzelnest vergezellen wij vrouwe justitia ver voorbij onze dampkring, ‘to boldy go where only a handful of women have gone before’. We bespreken een pioniersgebied van de jurisprudentie, te weten het ruimterecht, en daarvoor hebben wij uitgenodigd professor Frans von der Dunk, hoogleraar ruimterecht aan de Universiteit van Nebraska. Aan het begin van zijn nieuwe boek 'Advanced Introduction into Space Law' (2020) citeert Frans een krantenkop die leest: ‘Wherever you go, the taxman goes’, oftewel, waarheen je ook gaat zit de belastingdienst je op de hielen. Welnu, hetzelfde geldt voor het recht: waar de mens ook heen gaat, het recht volgt hem. En alle wetten die de mens volgen tot in de ruimte behoren tot ruimterecht. We bespreken onder meer de ruimterace, de opkomst van het ruimterecht, juridische kwesties in de ruimte, het Ruimteverdrag en nog veel meer!

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In de tiende aflevering van Radio Horzelnest spreken we met filosoof dr. Joris Raven over tijd, technologie en de smartphone naar aanleiding van zijn proefschrift: ‘Realtime realiteit: Een exploratie van taal, techniek en tijd met Martin Heidegger en Sybren Polet’. Joris begint zijn proefschrift met een ervaringsfeit: “Is het niet verbazingwekkend hoe onze kostbare tijd in de greep is geraakt van internet en smartphone.” Ongetwijfeld heeft u ook gemerkt bij uzelf of anderen om u heen hoe moeilijk het is geworden om de mobiel weg te leggen. Velen van ons brengen ettelijke uren per dag scrollend, swipend, klikkend en likend door op onze smartphone, tablet of computer. In deze schermwereld verdampt de geografische ruimte, alles is present. Ook de tijd verdwijnt, alles is instantaan te raadplegen en we kunnen in realtime met mensen aan de andere kant van de aardkloot communiceren. Maar hoe nog na te denken bij dit tijdperk van informatisering en onze gedigitaliseerde toestand? In deze aflevering vertelt Joris Raven onder meer over de betekenis van tijd in het tijdperk van de informatisering, de invloed van de smartphone, de invasieve en immersieve kanten van deze technologie, Heideggers techniek-kritiek en de versmelting van techniek en mens en het techno-optimisme in het dichten van Sybren Polet.

Deze video kan niet worden getoond omdat u geen cookies heeft geaccepteerd.

Verlaat onze website om deze video te bekijken.

In deze aflevering van Radio Horzelnest hebben we emeritus hoogleraar Ingrid Tieken-Boon van Ostade te gast. Ingrid is gespecialiseerd in de historische sociolinguïstiek van het Engels, een gebied binnen de taalkunde dat het verband tussen taal en maatschappij vanuit historisch opzicht bestudeert. Via het onderzoek in dit vakgebied komen we meer te weten over taalveranderingen waar we tot op de dag van vandaag mee te maken hebben, en in sommige gevallen nog steeds mee worstelen. Ingrid heeft zich in haar eigen onderzoek met name toegelegd op het traceren van grammaticale fenomenen in brieven. Er blijken heel wat ‘fouten’ te zitten in de informele taal van mensen die taalregels opstelden, zoals de grammatici Robert Lowth en Lindley Murray. Ook de brieven van schrijfsters zoals Jane Austen en Lady Mary Wortley bieden meer inzicht in de ontwikkeling van nieuwe taalkundige fenomenen. Via Ingrids onderzoek krijgen we meer begrip voor de beweegredenen van mensen om taalregels vast te leggen, maar zien we ook dat we taalveranderingen in het heden niet zonder meer als taalverloedering af moeten doen. Het effect van dit onderzoek strekt voorbij de taalkunde: Ingrids Haagse Talen project draagt bij aan een nieuw gemeentelijk beleid aangaande de vele andere talen die in Den Haag gesproken worden. In deze aflevering komen enkele andere publicaties van of over Ingrids werk ter sprake. Haar boeken 'Haagse Talen', 'The Bishop’s Grammar' en 'An Introduction to Late Modern English' zijn verkrijgbaar bij verschillende (online) boekhandels.

Deze website maakt gebruik van cookies.