Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English
Research focus area

Politieke Legitimiteit

Het onderzoeksproject "Tradities van Gezag & het Gezag van Tradities" is één van de drie onderzoeksprojecten die zijn mogelijk gemaakt door het profileringsgebied Politieke Legitimiteit.

Dit project wordt geleid door prof. dr. Luc Verhey (Staats- en Bestuursrecht) and prof. dr. Henk te Velde (Vaderlandse Geschiedenis). 

Achtergrond

Sinds 2016 sponsort het profileringsgebied Politieke Legitimiteit drie interdisciplinaire onderzoeksprojecten aan de Universiteit Leiden. De financiële impuls stimuleert vernieuwend, interdisciplinair onderzoek naar legitimiteitsvraagstukken in Leiden en Den Haag, evenals het aantrekken van onderzoekers en van externe onderzoeksgelden om dit onderzoek te bevorderen.

Projectomschrijving

In moderne westerse samenlevingen is de status van traditie als bron van politieke legitimiteit ambivalent. Het beroep op het argument dat we moeten vasthouden aan het bestaande of terugkeren naar het verleden heeft zijn kracht verloren en is verdacht geworden. De validiteit van historische argumentatie is zijn vanzelfsprekendheid kwijt. In de vroege twintigste eeuw, toen Max Weber zijn beroemde onderscheid maakte tussen traditionele, charismatische en legaal-rationele legitimiteit, beschouwde hij traditie als bron van legitiem gezag vooral als iets van het verleden, waarvoor in moderne samenlevingen weinig plaats meer was. In de late achttiende eeuw keerden revolutionairen in Frankrijk en elders zich expliciet tegen het gezag van traditie. In de geschiedschrijving wordt dit tijdvak daarom doorgaans voorgesteld als een breukmoment.

In de middeleeuwse en vroegmoderne samenlevingen was er veel strijd tussen aanhangers van verschillende tradities, maar de legitimiteit van historische argumentatie stond als zodanig nauwelijks ter discussie; juist het beroep op de noodzaak met bestaande tradities te breken stond in een kwade reuk. Rond 1800 werd algehele afwijzing van het beroep op traditie denkbaar. Dat wil niet zeggen dat het daarna gedaan was met traditie als bron van politieke legitimiteit. De restauratieregimes van de vroege negentiende eeuw waren juist producenten bij uitstek van tradities ter legitimering van hun gezag: geheel of gedeeltelijk nieuwe geografische grenzen of staatkundige wetten en praktijken werden gerechtvaardigd met een beroep op een geconstrueerd verleden. Met deze vorm van invention of tradition plaatsten negentiende-eeuwse vorsten en nationalistische bewegingen zich in een lange traditie: ook middeleeuwse en vroegmoderne heersers zagen soms wel degelijk het nut en de noodzaak van verandering, maar de minst controversiële manier om deze door te voeren was onder het mom van een terugkeer naar een betere staat die ooit bestaan had maar gecorrumpeerd was geraakt.

Westerse samenlevingen hebben kortom een ontwikkeling doorgemaakt van een situatie waarin het beroep op verandering politiek omstreden is naar een situatie waarin dit geldt voor het beroep op traditie. De mate waarin traditie politiek legitiem is, staat echter deels los van het belang dat aan traditie wordt gehecht. De populistische partijen die tegenwoordig expliciet appelleren aan de normatieve dimensie van traditie menen blijkbaar dat tradities in de samenleving, nog altijd of opnieuw, veel draagvlak hebben. Ze wijzen echter juist de tradities van het politieke bestel af (‘de typisch Nederlandse achterkamertjes’ of de ‘regentenpolitiek’ bijvoorbeeld). Ook andere partijen willen bepaalde tradities in het staatkundig en maatschappelijk leven behouden, en dan soms juist weer wel de tradities van het politieke bestel. Zij zullen wellicht wel minder snel het argument gebruiken dat tradities dienen te worden gehandhaafd omdat het tradities zijn.

Als onderzoeksobject in de wetenschappelijke wereld is traditie even ambivalent als in de samenleving. De weerstand die in de wetenschap lang heeft bestaan tegen traditie, heeft mede geleid tot onderschatting van de betekenis van traditie in de moderne maatschappij en politiek. In de onderzoekspraktijk van de discipline van het staatsrecht heeft traditie ook nog om andere redenen een marginale plaats ingenomen. In zijn recente oratie heeft Luc Verhey erop gewezen dat het staatsrecht zeker in Nederland van oudsher sterk positiefrechtelijk is opgevat, wat wil zeggen dat staatsrechtbeoefenaars zich vooral hebben beziggehouden met de geschreven teksten van de grondwet en een beperkt aantal organieke wetten. Verhey bepleit een bredere opvatting van het staatsrecht, waarin ook aandacht bestaat voor wat hij omschrijft als ‘conventies’, informele regels die het gedrag van onze instituties reguleren. Het is duidelijk dat tradities en conventies in elkaars verlengde liggen. In beide gevallen gaat het om (meestal) niet gecodificeerde praktijken met een normatieve lading die enkele generaties nodig hebben om tot wasdom te komen. Wellicht dat ‘conventie’ vaker gebruikt wordt voor formele instituties en ‘traditie’ voor een bredere culturele context; bovendien gaat het vaker om bewuste regels.

Dit project richt zich op de geschiedenis en actualiteit van traditie binnen het formele politieke domein en in de politieke cultuur in brede zin; het gaat daarbij zowel om tradities die als zodanig worden benoemd als om tradities die niet direct (h)erkend worden maar de politiek wel mede structureren. Het project is onderscheidend omdat het noch alleen kijkt naar de eeuwen waarin traditie verondersteld wordt een legitieme bron van politiek gezag te zijn geweest, noch naar de eeuwen waarvoor dit veel minder heet te gelden, maar ook op zoek gaat naar de lange lijnen in deze geschiedenis van de middeleeuwen tot het heden. Bovendien is de gedachte dat de studie van het verleden veel kan leren van studie van hedendaagse politieke conventies en tradities en vice versa. Vernieuwend is ook het uitgangspunt dat alle vormen van politiek gezag in bepaalde mate gegrond zijn op traditie en dat tradities voor alle politieke actoren en gezagsinstanties van belang zijn, maar dat de mate waarin een beroep op traditie als legitiem wordt ervaren aan verandering onderhevig is. De rol van tradities is politiek niet altijd zichtbaar, maar tradities kunnen ook de kraamkamer zijn van conventies, die – voor zover ze worden ervaren als ‘regels’ – gezaghebbend zijn voor politieke actoren. De grens tussen tradities en conventies is zeker in moderne politieke verhoudingen vloeiend en dynamisch. Tradities zijn volgens Hobsbawm gebruiken die uitdrukking geven aan de normen, waarden en symbolen die binnen een bepaalde gemeenschap bestaan. Conventies doen dat ook, maar zijn vooral instrumenteel of functioneel van aard. Conventies waarborgen bijvoorbeeld bepaalde constitutionele waarden zoals democratie en bescherming van minderheden die de machtsuitoefening van politieke instituties legitimeren en ordenen.

Het onderzoek naar conventies concentreert zich op case studies. Alle betrokkenen in dit project willen daarnaast vanuit hun eigen case studies het concept ‘traditie’ ontdoen van haar negatieve, ideologisch beladen connotaties, teneinde een instrumentarium te ontwikkelen om tradities ook te kunnen herkennen en duiden in posttraditionele settings. Daartoe testen ze, elk vanuit eigen specialisme en in eigen regio/periode, vier binaire tegenstellingen die de twintigste-eeuwse literatuur beheersen:

  • Premodern vs. modern historiciteitsregime (François Hartog), dat is de aloude tegenstelling tussen traditie (beroep op het verleden) vs. moderniteit (beroep op de toekomst) in een nieuw jasje: is beroep op gezagsinstanties in heden/verleden/toekomst altijd enkelvoudig, complementeren ze elkaar niet, werken ze niet op elkaar in (Gordon Schochet), en hoe zit dit in concrete historische case studies?
  • ‘Tradition als Legitimation’ (verleden als norm) vs. ‘Tradition als Identitätssicherung’ (verleden als afkomst) (Aleida Assmann): in hoeverre, wanneer, bij wie, waarom treedt zo’n verschuiving op? Zijn huidige ‘politics of identity’ (Charles Taylor) van het eerste en/of het tweede type en laten deze zich überhaupt scheiden?
  • Invented traditions vs. ‘echte’ tradities (Eric Hobsbawm, Terence Ranger): hebben niet alle tradities een element van depositum én inventio, en zijn beide, als ze al onderscheiden kunnen worden, niet even reëel in hun effecten (William Thomas: ‘real in their consequences’)
  • Traditie (bewust beroep op het verleden vanuit actorperspectief) vs. conventies (Luc Verhey), ‘tacit knowledge’ en ‘institutional embeddedness’ zoals beklemtoond in o.a. new institutionalism en door sociologen met aandacht voor path dependency (vanuit waarnemersperspectief): in hoeverre is hier sprake van een verschil, en is het wellicht vruchtbaarder de gemeenschappelijkheid te beklemtonen, ook gelet op o.a. problematisering van klassieke emic/etic onderscheid in antropologie?

De projectdeelnemers die deze challenge zullen aangaan, zijn afkomstig uit de disciplines geschiedenis, staatsrecht, bestuurskunde en politicologie. Het project vindt zijn samenhang in een gezamenlijke conceptuele reflectie op het traditiebegrip, maar daarnaast richten de betrokkenen zich op concrete casus die worden gesitueerd binnen de vier bovenstaande dichotomieën, zoals voor de conventies het koningschap, de ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel. De groep stelt zich verder ten doel door een geregelde samenkomst en door gezamenlijk workshops en congressen te beleggen onderzoekspraktijken met elkaar in contact te brengen en zo het begrip van de omgang met traditie te versterken.