Logo Universiteit Leiden.

nl en

Column: Wetenschap als God - Andreas Kinneging

Andreas Kinneging schreef in het juridisch faculteitsblad Novum een column getiteld 'Wetenschap als God'.

Wetenschap als God

God is dood. In plaats daarvan geloven meer en meer mensen in de wetenschap. Je zou zelfs kunnen zeggen dat de wetenschap hun God is. Zo gezien is het geloof in God alive and kicking, maar zijn we alleen van God gewisseld.

De kern van geloof is vertrouwen. Wij vertrouwen op de wetenschap. Als de wetenschap zegt dat het zo is, dan is het zo. ‘Onderzoek heeft aangetoond…’ is een veelvoorkomende opmerking, die elke discussie smoort. Tegenwoordig doen veel kranten aan ‘fact-checking’. Dat doen ze door na te gaan of er wetenschappelijk onderzoek is dat de stelling in kwestie ondersteunt. Zo niet, dan is de stelling verworpen. Dan is ze geen feit, maar fake. Scientia locuta, causa finita: de wetenschap heeft gesproken, de zaak is afgedaan. Ziehier ons credo.

Het is werkelijk een geloof, want niemand van ons checkt het wetenschappelijk onderzoek, en verreweg de meesten van ons zouden daar ook niet eens toe in staat zijn. Wij nemen het gewoon voor waar aan, we slikken het als zoete koek als iemand kan wijzen op een wetenschappelijk onderzoek waarin bepaalde conclusies worden getrokken.

Maar hoe betrouwbaar is wetenschappelijk onderzoek nu echt? Is ons blinde geloof in het gezag van de wetenschap wel terecht? Of is de wetenschap bij nader inzien toch ook maar een afgod?

Laten we eerst eens een blik werpen op de natuurwetenschappen. Deze gaan immers door voor de meest wetenschappelijke wetenschappen. Ze worden wel ‘hard’ genoemd, in de zin van degelijk en betrouwbaar. Hun resultaten zijn ‘hard’. Daar valt niet aan te tornen. Of ligt het toch genuanceerder?

In het wereldberoemde en zeer gerespecteerde wetenschappelijke tijdschrift Nature stond halverwege 2016 (vol.533) een artikel getiteld: ‘1,500 scientists lift the lid on reproducibility’. De strekking van dat artikel is dat een deel van het natuurwetenschappelijk onderzoek niet reproduceerbaar is. (Hoe hoog het percentage is, is niet duidelijk, maar zeventig procent van de ondervraagde wetenschappers geeft aan dat ze hebben meegemaakt dat onderzoek van anderen niet reproduceerbaar was.) Dat is niet zo best, want als de uitkomsten van onderzoek waar zijn, dan moeten ze ook reproduceerbaar zijn. Maar liefst negentig procent van de ondervraagde wetenschappers geeft aan dat er in de wetenschap een ‘reproducibility crisis’ is. En let wel, het gaat hier om natuurwetenschap, hét paradigma van en voorbeeld voor de moderne wetenschap.

Als we ons oog richten op de sociale wetenschappen, moeten we vaststellen dat op dit terrein de situatie nog veel benarder is. Niet voor niets worden deze wetenschappen dikwijls de ‘zachte’ wetenschappen genoemd: hun resultaten zijn zo zacht als boter. Tegenover elk sociaal-wetenschappelijk onderzoek waar x uitkomt, kan een onderzoek worden geplaatst waar y uitkomt, waarbij x soms tegenovergesteld is aan y. Een voorbeeld uit honderden: er zijn onderzoeken die beweren dat de crèche goed is voor kleine kinderen en er zijn er die het tegenovergestelde beweren. De onzekerheid van de uitkomsten van sociaal-wetenschappelijk onderzoek, die iedere sociaal-wetenschapper van enige standing overigens erkent, heeft de Brits-Poolse socioloog Stanislav Andreski er ooit toe gebracht een boek te schrijven met de fraaie titel: ‘Social Sciences as Sorcery’. Sterk aanbevolen voor iedereen met een groot vertrouwen in sociaal-wetenschappelijk onderzoek.

Het zijn vooral methodologische problemen die inherent zijn aan sociaal-wetenschappelijk onderzoek die debet zijn aan de onzekerheid van de uitkomsten ervan. Omdat ze inherent zijn, zijn ze dus ook niet te verhelpen en te overkomen. Elk sociaal-wetenschappelijk onderzoek is er noodzakelijk door bevlekt. Ik noem er drie, bij wijze van voorbeeld.

Ten eerste is er het generalisatie-probleem. Elk sociaal-wetenschappelijk onderzoek is feitelijk beperkt tot een relatief geringe onderzoekspopulatie. De resultaten worden doorgaans geldig verklaard voor een veel grotere populatie. In onderzoek naar het effect van crèches op jonge kinderen bijvoorbeeld worden op zijn hoogst enkele honderden kleinen kinderen onderzocht. De resultaten worden echter van toepassing verklaard op alle jonge kinderen. Dat is dikwijls kwestieus.

Ten tweede het operationalisatie-probleem. De belangstelling van de sociale wetenschap gaat uit naar abstracte variabelen. In ons voorbeeld: de geestelijke en lichamelijke gezondheid van jonge kinderen. Een dergelijke abstracte variabele is echter niet te meten. Daarom worden ze eerst ‘geoperationaliseerd’. Dat wil zeggen dat er concrete, zintuigelijk waarneembare markers (parameters) worden bepaald, die gelden als teken van geestelijke en lichamelijk gezondheid en ongezondheid. Maar over wat met name geestelijke gezondheid is en hoe deze dus moet worden geoperationaliseerd kan men eindeloos discussiëren en het grondig oneens zijn. Om maar te zwijgen over variabelen als democratie, integratie, of last but not least geluk.

Ten derde het causaliteits-probleem. We zijn uiteindelijk geïnteresseerd in causaliteit. We willen weten of crèches de oorzaak zijn van het beter of juist slechter functioneren van jonge kinderen. De sociale wetenschappen kunnen een dergelijk oorzakelijk verband echter niet aantonen. Ze kunnen slechts—gegeven bovenstaande problemen onzekere—correlaties aanwijzen. Bekend voorbeeld: als het aantal verkochte ijsjes stijgt, stijgt ook het aantal mensen dat sterft door verdrinking. De causaliteit is hier evident nul. De werkelijkheid is natuurlijk dat bij warm weer zowel het aantal verkochte ijsjes stijgt, als ook het bezoek aan strand en zwembad stijgt. Dat laatste leidt tot meer verdrinkingsdoden. Met ijsjes heeft het niets te maken. In de meeste gevallen is het, anders dan in dit voorbeeld, echter helemaal niet evident of de correlatie wel of niet causaliteit impliceert. Zoals in het geval van crèches en de gezondheid van jonge kinderen. Als de uitkomst van het onderzoek is dat het jonge kinderen op de crèche goed gaat, hoeft dat helemaal niet aan de crèche te liggen. Het kan bijvoorbeeld ook het gevolg zijn van het feit ouders, geplaagd door gewetensbeten, in de tijd die ze wel met hun kinderen doorbrengen extra veel zorg besteden aan hun kleine.

De conclusie van dit alles is duidelijk. Er is geen enkele reden voor een blind vertrouwen in de wetenschap. Niet in de natuurwetenschappen, die ook vaak genoeg met resultaten komen die bij nader inzien niet houdbaar blijken. Maar zeker niet in de sociale wetenschappen. Het meeste van wat er daar aan onderzoek gedaan wordt overstijgt het niveau van de subjectiviteit in het geheel niet. Dat ligt geenszins aan de slordigheid of het gebrek aan intelligentie van de sociale wetenschappers. Het is een euvel dat inherent is aan de tak van sport.

Zo gezien is ons blinde vertrouwen in de wetenschap dus onterecht en doen we er goed aan wat sceptischer te staan tegenover haar resultaten. Als onderzoek iets aantoont, dan is dat op zijn best een indicatie dat iets op een bepaalde manier in elkaar zit. Meer niet. Drastische conclusies kan men er beter niet aan verbinden, laat staan grootscheeps beleid.

Betekent dat dat we moeten accepteren dat we doorgaans in het duister tasten en eigenlijk niet weten wat de waarheid is? Of zijn er ook andere manieren van waarheidsvinding? Is er nog een ander corpus aan waarheid beschikbaar? Het antwoord is, dunkt me, een tweeledig ja.

Ja, we tasten vaak in het duister, dus voorzichtigheid is altijd geboden. Stapje voor stapje uitproberen en zien wat de effecten zijn is over het algemeen beter dan radicaal het roer omgooien op basis van wetenschappelijk onderzoek. Het milieubeleid is een actueel terrein, waarop deze vraag speelt.

En ja, er is ook nog een andere manier van waarheidsvinding, er is een ander corpus aan waarheid beschikbaar. Dat is de levenservaring. Ieder van ons doet haar op, simpelweg door te leven. Maar ze is ook op schrift gesteld en beschikbaar voor een ieder die zich ervoor openstelt, in het bijzonder in de wereldliteratuur. En in de vele spreuken en gezegden die ieder volk op aarde kent. In beiden ligt een schat van kennis opgesloten.

Postscriptum

Ik moet natuurlijk ook nog iets zeggen over de rechtswetenschap. Dit is eigenlijk geen wetenschap. Aan onze faculteit spreken we dan ook terecht over rechtsgeleerdheid. De rechtsgeleerde onderzoekt niet hoe de wereld in elkaar zit, zoals de wetenschapper. Hij is een schatbewaarder, die aan de volgende generatie de regels doorgeeft waarvan zijn generatie, op basis van de ervaring van vele generaties (civiel en strafrecht) of enkele generaties (bestuursrecht) vóór hem, denkt dat ze bijdragen aan het algemeen belang. Iedere generatie van juristen weer moet zien hoeveel van die regels ze overneemt en hoeveel ze wijzigt. Ook hier geldt dat stapje voor stapje uitproberen en zien wat de effecten zijn over het algemeen beter is dan radicaal het roer omgooien. De wereldliteratuur en de spreuken en gezegden der volkeren moeten daarbij wat mij betreft zwaarder wegen dan de resultaten van wetenschappelijk onderzoek.

Dit artikel verscheen eerder in Novum, het faculteitsblad van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Leiden.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie