Universiteit Leiden

nl en

Onderzoeksproject

Conflictoplossende Instituties

Binnen Conflictoplossende Instituties concentreren wij ons in Leiden op het probleemvoorkomend en -oplossend vermogen van de rechtspraak.

Looptijd
2019 - 2024
Contact
Miranda Boone
Financiering
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Conflictoplossende Instituties is naast Empirical Legal Studies een van de twee speerpunten binnen het Nederlands Sectorplan Rechtsgeleerdheid.

Gerechtelijke procedures zijn vaak tijdrovend, kostbaar en emotioneel belastend. Laagdrempelige buitengerechtelijke geschilbeslechting is soms een goed alternatief, maar toegang tot betrouwbare en efficiënte rechterlijke procedure blijft evenzeer belangrijk. 

De laatste jaren is de  rechter in toenemende mate verworden tot een ‘maatschappelijke probleemoplosser’ waarop burgers en ‘civil society’ organisaties een beroep doen wanneer zij vinden dat andere instituties achterop hinken. Controversiële  kwesties in Nederland waren onder meer klimaatbescherming en de stereotype knecht van Sinterklaas, terwijl het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uitsprak over nationale begrotingen na de 2007 financiële crisis.

De verwachtingen van wat de rechter vermag zijn hoog, soms wellicht te hoog. Het gevaar dreigt dat fundamentele rechtsbeginselen (zoals onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter) in de publieke perceptie onder druk komen te staan. 

In onze studies focussen wij op twee thema’s: duurzame rechtspleging en de rechtszaal als maatschappelijke arena.

Duurzame rechtspleging

Wij beogen te onderzoeken hoe de rechtspraak optimaal inhoud kan geven aan de probleemoplossende verwachtingen die in haar worden gesteld. Optimale rechtspraak heeft volgens ons drie componenten: toegang, rechtsbescherming, effectieve conflictoplossing. Onze bevindingen zullen geijkt worden door ze te vergelijken met de resultaten die andere conflictoplossende instituties boeken.

De rechtszaal als maatschappelijk arena

Wij willen nagaan of de mogelijkheden tot procederen al dan niet aangepast moeten worden om de functie van de rechtszaal als maatschappelijke arena te versterken of verzwakken. Wij beogen ook te onderzoeken (i) welke processen ertoe leiden dat maatschappelijk beladen vraagstukken aan de rechter worden voorgelegd; (ii) welke bijdrage de rechter daaraan kan leveren; en (iii) wat de consequenties zijn voor de legitimiteit van de rechter zelf.

Onderzoeksprojecten

Europese samenwerking inzake asiel- en strafrecht is gebaseerd op wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning. Op voorheen bestuurlijke beslissingen vindt hoogstens nog rechterlijke controle plaats. Maar steeds vaker worden politiek beladen kwesties onderwerp van rechterlijke controle, bijvoorbeeld wanneer de bescherming van fundamentele rechten in specifieke lidstaten niet langer kan worden gegarandeerd. Daarmee reiken de implicaties van rechtspraak in dergelijke zaken veel verder dan het individuele geval. Dit project onderzoekt hoe politiek-beladen rechtsvragen in deze gebieden de functie van de Dublinverordening en het Europees aanhoudingsbevel veranderen en welke gevolgen dit heeft voor de legitimiteit van rechtspraak van de nationale en Europese rechter.

Dit onderzoek gebruikt op innovatieve wijze inzichten van de sociale psychologie om te verklaren waarom de legitimiteit van de EU onder zijn burgers afneemt. We verwachten dat de EU een dreiging vormt voor de sociale identiteit van burgers en daarmee zijn eigen waargenomen legitimiteit onder hen ondermijnt. We beogen deze hypothese te onderzoeken en vervolgens opgedane inzichten te verwerken in EU recht om de legitimiteit van de EU te versterken. Dit onderzoek draagt bij aan het sectorplan door ons begrip van legitimiteit uit te breiden, gebruik te maken van empirische onderzoeksmethoden, en inzichten te vertalen in concrete handvatten voor rechters.

Met artikel 12 Wetboek van Strafvordering wordt de mogelijkheid geboden voor rechtstreeks belanghebbenden te klagen over niet-vervolging door het Openbaar Ministerie. Deze procedure wordt ook aangewend in maatschappelijk-gevoelige zaken als bijvoorbeeld de vervolging van Geert Wilders voor haatzaaien. Waar artikel 12 Wetboek van Strafvordering oorspronkelijk was bedoeld als correctiemechanisme op het vervolgingsmonopolie van het Openbaar Ministerie, is later het private belang van klagers/slachtoffers meer centraal komen te staan. Daar lijkt nu een derde functie bij te komen: een ventielfunctie voor maatschappelijk ongenoegen. Door middel van een media-analyse, casestudies en een normatieve analyse wordt onderzocht welke bijdrage artikel 12 Wetboek van Strafvordering levert en kan leveren aan de oplossing van de maatschappelijke conflicten die in deze zaken aan de procedure ten grondslag ligt.

In huiselijk geweldzaken met minderjarige slachtoffers is vaak sprake van een versplintering van juridische procedures. Dit maakt het voor rechters lastig om beslissingen te nemen die de minderjarige beschermen tegen herhaling en om secundaire victimisatie te voorkomen. In de onderhavige studie wordt onderzocht hoe deze ongewenste uitkomsten kunnen worden vermeden. Als leidraad binnen het onderzoek wordt het leerstuk van therapeutische jurisprudentie gebruikt. Volgens dit leerstuk kunnen rechtssubjecten zowel positieve als negatieve gevolgen ervaren door de werking van het recht. Middels de theorieën van procedurele en interactionele rechtvaardigheid en verschillende methoden van empirical legal research zullen deze gevolgen worden bestudeerd.

Multinationals lijken soms ongrijpbaar voor handhaving door overheidsrechtspraak, zowel in het strafrecht als het privaatrecht. Met enige regelmaat stuit handhaving af op bevoegdheidsproblemen, beperkingen in het sanctiearsenaal of de buitensporige consequenties van een sanctie. Dit leidt niet alleen tot negatieve publieke reacties, maar doet ook afbreuk aan de legitimiteit en effectiviteit van overheidsrechtspraak. Oplossingen worden gevonden in schikkingen (met het Openbaar Ministerie en in private context) en arbitrage. Maar zijn dat wenselijke oplossingen? Of zijn andere oplossingen denkbaar die de klassieke rechtspraak helpen multinationals te betrekken? Dit onderzoek zoekt antwoorden vanuit het strafrecht en privaatrecht, en laat zich inspireren door de criminologie en de economie.

Artificiële intelligentie (AI) bevat veelbelovende mogelijkheden om de toegang tot en het conflictoplossend vermogen van de rechtspraak te vergroten, maar kan óók disruptief uitwerken. Dit voorstel onderzoekt het landschap van AI-tools binnen de bestuursrechtelijke rechtsbescherming en analyseert welke invloed zij hebben op de ontwikkeling van het conflict en de conflictbeslechting. Die analyse leidt tot theorievorming over de invloed van AI op de toegang tot het recht, de rechtsbescherming en effectieve conflictbeslechting. Het onderzoek geeft inzicht in de wijze waarop en onder welke voorwaarden AI burgers in staat kan stellen hun geschil met de overheid duurzaam op te lossen.

Dit onderzoek gaat over de constitutionele uitgangspunten van het Nederlandse stelsel van rechtsbescherming tegen de overheid. Dat stelsel staat momenteel onder druk: in zaken als de stikstofproblematiek en de kinderopvangtoeslagaffaire wordt van de bestuursrechter steeds meer gevraagd om zowel brede maatschappelijke geschilbeslechting als individueel maatwerk te bieden. Het toekomstbestendig ontwikkelen van dit stelsel vraagt om een integrale benadering van mogelijke procesrechtelijke aanpassingen (zoals beroep tegen regels) en de constitutionele positie van de rechter. Dit onderzoek beoogt het institutional design van het Nederlandse stelsel beter te begrijpen en te ontwikkelen door middel van een rechtsvergelijking met drie landen: De Verenigde Staten, Duitsland en Zuid-Afrika.

Er dient gepaste en efficiënte remediëring te zijn voor mensenrechtenschendingen door bedrijven. Vrouwen hebben zeker baat bij remediëring omdat zij onevenredig getroffen worden door bedrijfsactiviteiten (onder meer door de feminisering van onregelmatige arbeid en de versterking van discriminatie door genderneutrale handelsovereenkomsten). De 2019 Genderrichtlijn van de Verenigde Naties Werkgroep voor Bedrijven en Mensenrechten stelt daarom dat remediëring responsief moet zijn aan gender issues zodat ‘patriarchale normen en ongelijke machtsverhoudingen veranderen’. Het is echter onduidelijk wat dit inhoudt. Daarom analyseert dit postdoctoraal onderzoek de indicatoren en de kwaliteit van genderresponsiviteit in remediëring in geschillen die 'het bedrijfsleven en mensenrechten' betreffen. De onderzoeksresultaten kunnen geschillenbeslechters helpen bij het identificeren van genderblindheid en -vooringenomenheid in dergelijke geschillen.
 
Nissen kreeg een postdoctorale beurs van het FWO voor het eerste deel van dit onderzoek en een ‘chargé de recherches’ beurs van FNRS voor het tweede deel van dit onderzoek, in samenwerking met Vrije Universiteit Brussel (VUB / ULB) en University of Oxford. 
 

Publicaties

Deze website maakt gebruik van cookies.  Meer informatie.