Universiteit Leiden Universiteit Leiden

Nederlands English

Cliteur: 'Godsdienstkritiek blijft lastig'

In vele Europese staten is godslastering uit de strafwet gehaald. Maar nu wordt godsdienstkritiek vaak via een omweg strafbaar gesteld, bijvoorbeeld omdat het zou aanzetten tot haat. Dit stelt Paul Cliteur, Hoogleraar Encyclopedie van de Rechtswetenschap, in onderstaand opiniestuk in het Nederlands Dagblad op 31 oktober 2016.

Een van de grote principes die uit de Reformatie zijn voortgekomen, is de vrijheid om van geloof te veranderen. Ze werd in 1948 vastgelegd in artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: ‘Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.’ 

Die vrijheid moest tijdens de Reformatie worden bevochten op het katholicisme. Dankzij de steun van Duitse vorsten lukte het Luther en anderen deze vrijheid binnen het christendom te realiseren. In het Midden-Oosten is deze vrijheid zo goed als onbekend en, voor zover bekend, wordt ze er heftig bestreden. De Arabische landen hebben, omdat zij die vrijheid niet wilden erkennen, lang actie gevoerd tegen de universele verklaring, in het bijzonder artikel 18.

Die acties bleven niet zonder resultaat. In 1966 kwam binnen de Verenigde Naties het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten tot stand. Artikel 18, lid 1 van dit verdrag luidt: ‘Eenieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelfgekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan.’

Erfenis verloren gegaan

Vergeleken met de consensus van 1948 is hier iets verdwenen: de vrijheid om van godsdienst te veranderen. Deze gaat in 1966 ten onder in een brij van woorden, maar de vrijheid om van godsdienst te veranderen of, nog erger, helemaal van godsdienst af te vallen is verdwenen. Daarvoor in de plaats komt een taboe op blasfemie (godslastering), ketterij (van het gangbare afwijkend geloof) en apostasie (geloofsafval). 

De erfenis van de Reformatie is daarmee voor de wereld van het Midden-Oosten teloorgegaan. Dat betekent ook dat voor de wereld van het Midden-Oosten christenen en atheïsten in ieder geval één ding gemeenschappelijk hebben: hun wordt het leven onmogelijk gemaakt. Vaak volgen er strafsancties op verandering van geloof of geloofsafval. Maar ook wanneer het niet officiele gerechtelijke instanties zijn die ketters en apostaten straffen, dan vormen vaak informele ‘lynchmobs’ een bedreiging voor christenen en atheïsten. De spanning tussen geweld en vrijheid van expressie heeft geleid tot een nieuwe censuur. Terroristen hebben duidelijk de bedoeling de vrijheid van expressie te vernietigen, in het bijzonder de vrijheid om religie vrijelijk te kritiseren. Dit is opmerkelijk, want die vrijheid is een mensenrecht.

Critici van godsdienst gegijzeld door hedendaags terrorisme

In The Fall and Rise of Blasphemy Law, geredigeerd door de Leidse rechtsfilosofen Paul Cliteur en Tom Herrenberg, wordt een aantal casussen besproken waarbij dwang, soms zelfs terroristisch geweld, werd gebruikt om kritiek op godsdienst onmogelijk te maken. Dat was het geval in de Rushdie-affaire (1989), de Carrell-affaire (1987), de Jonesaffaire (2010), de poging van de regering van Saudi-Arabië om de film Dood van een prinses te onderdrukken (1980), maar vooral de liquidatie van de redactie van Charlie Hebdo (2015).

Opvallend genoeg gaat de logica van deze gebeurtenissen geheel voorbij aan prominente intellectuelen en aan politici, die vaak worden misleid door de ideologie van het multiculturalisme of het postmodernisme. Het ontgaat velen volledig dat critici van godsdienst (met Rushdie als bekendste voorbeeld) in feite worden gegijzeld door het hedendaags terrorisme. Zij leven het leven van een gijzelaar, maar dan in eigen land en schijnbaar in vrijheid.

Aanzet tot haat

Ironisch genoeg krijgen terroristen de laatste tijd onbedoeld – laat daarover geen misverstand bestaan! – steun van de officiële vervolgingsinstanties (Openbaar Ministerie) binnen Europese staten, die godsdienstkritiek bemoeilijken. In niet-westerse staten kan godsdienstkritiek vaak worden bestreden door een beroep op wetten tegen godslastering (blasfemie). In vele Europese staten is godslastering uit de strafwet gehaald. Toch heeft dat niet tot een grotere vrijheid van kritiek geleid, want godsdienstkritiek wordt nu vaak via een omweg strafbaar gesteld. De criticus wordt verweten dat hij de godsdienstige gelovige opzettelijk ‘beledigt’ of ‘discrimineert’, of dat hij ‘aanzet tot haat’ (artikelen 137c en d van het Wetboek van strafrecht).

Pervers effect

Wat dus heel onschuldig en zelfs welkom lijkt (‘haatzaaien’ ontmoedigen), heeft een pervers effect, dat regeringen niet hebben bedoeld en dat ze ook niet onderkennen: dat deze wetgeving terroristen helpt in het smoren van kritiek die wordt geuit door critici van godsdienst. In een nieuw boek, Bardot, Fallaci, Houellebecq en Wilders: gerechtelijke vervolging van religiekritiek en vreemdelingenvrees, analyseer ik hoe deze zeer verschillende figuren – filmster, journalist, schrijver, politicus – hebben ervaren hoe zij door die nieuwe wetgeving die groepsbelediging en aanzetten tot haat strafbaar stelt, in hun kritiek worden gefrustreerd. Naar mijn idee zou Justitie de artikelen 137c en d Sr. zeer terughoudend moeten toepassen. In het bijzonder in de tijd waarin wij leven. Op de langere termijn zou de wetgever nog eens goed naar de redactie moeten gaan kijken. Het kan niet zo zijn dat Justitie een verlengstuk wordt van het internationaal terrorisme.

Bron: Nederlands Dagblad d.d. 31-10-2016